Ons Korps

Ekklesia”Evangeliekorps – Holland -Kwartiermakers van het Koninkrijk Israël onder het Nieuwe Verbond

De taak van ons korps

“En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde zijn” (Mattheüs

Het Koninkrijk van onze Here Jezus Christus is eeuwig

We hebben gesproken over de naam Jezus, maar wat weten wij van de Naam/titel Christus? We hebben gezien hoe de Messias heeft geleden voor het mensdom. Maar één aspect wil ik ook nog graag belichten. Zijn Koningschap en Zijn Troon.

Het Koningschap van Jezus Christus is van eeuwigheid tot eeuwigheid. De draad van de Christusregering loopt door heel de Schrift heen.

In Genesis 3:15 wordt direct na de zondeval de heerschappij van het zaad van de vrouw aangekondigd; in Genesis 9:26 wordt dat vrouwenzaad nader bepaald tot de lijn van Sem; in Genesis 12:1-3 wordt Abraham aangewezen als de drager van de belofte; in Genesis 28:13-15 gaat de goddelijke lijn tussen Abrahams beide kleinzonen door en wordt Jakob verkoren; in Genesis 49:8-10 is Juda de bevoorrechte om erfgenaam te zijn van de Koninklijke linie; in 2 Samuel 7:16 wordt David, uit het huis van Juda, de voorlopige kroondrager; in Psalm 89:3,4, 35-37 wordt de Davidslinie inzake het Koningschap bevestigd door een eed; in Jeremia 33:17-26 zien we dat deze eed betrekking had op latere tijd en over de Babylonische ballingschap heen reikt; in Jesaja 11:1,2 wordt dat op nadere wijze bevestigd; in Jesaja 9:5,6 zien we dat de toekomstige Vredekoning eerst als Kind geboren en als Zoon gegeven moest worden; in Micha 5:1-3 zien we dat Hij, die uit Bethlehem zou voortkomen, een Heerser in Israël zou zijn en vandaar uit tot aan de einden der aarde groot zou worden.

De psalmen spreken op onderscheidene plaatsen van het a.s. Koningschap van Christus. Daniëls profetieën wijzen heen naar de komende heerschappij van ‘Christus over de koninkrijken van deze wereld.

Zacharia’s profetieën lopen ook uit op het Koningschap van Christus.

Wet, Psalmen en Profeten getuigen alle van het aanstaande Koningschap van Christus.

Jezus Christus is de Zoon van God, daarom is Zijn Koningschap ook van eeuwigheid. De Vader zegt tot de Zoon: “Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de scepter van Uw Koninkrijk is een rechte scepter” (Hebreeën 1:8).

Jezus Christus is als Koning geboren en gestorven. Hij is als Koning ten hemel gevaren en zal ook als Koning wederkeren. Deze waarheid staat even onomstotelijk vast als het feit, dat het Koninkrijk reeds van de grondlegging der wereld is (Mattheüs 25:34). Christus is, was en zal zijn de Koning der koningen en Here der heren. Hoe kan dat ook anders, aangezien Hij toch de eeuwige Zoon van God is?

Alleen willen we acht geven op de juiste toepassing van deze titels ten opzichte van deze aarde. Het is als met alle andere verschillende namen van de Heer in het Oude Testament, die successievelijk tot hun recht kwamen. Met het aanvaarden van Christus’ Koningschap zal dan ook slechts openbaar worden hetgeen Hij feitelijk thans reeds is.

Hetzelfde geschiedde met Zijn titel “Het Lam van God”. Hij was als zodanig reeds voorgekend vóór de grondlegging der wereld, maar is eerst geopenbaard in deze laatste tijden om onzentwil (1 Petrus 1:20). De van eeuwigheid gezalfde Koning is bij Zijn vleeswording eerst als Lam Gods geopenbaard en geslacht, al vermeldde ook het kruis Zijn titel als Koning.

Daarna moest Hij éérst nog Zijn Hogepriesterlijke plaats innemen. Pas bij Zijn wederkomst in heerlijkheid zal Hij op de troon van David Koning zijn over het huis van Jakob en van daaruit over de koninkrijken van deze wereld (Openbaring 11.15).

Alle vijanden van God op aarde zullen dan onder de voetbank van Zijn voeten gelegd worden Dan zal Hij als Koning-der koningen” en “Here der heren openbaar worden “opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie van hen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. (1 Korintiërs 15:25).

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader” (Filippenzen 2:9-11).

Het koninkrijk is nog niet gekomen

Zolang Israëls verworpen Koning nog in de hemel als Hogepriester op de troon van de Vader zit, is en blijft de het Lichaam van Christus, “de Ekklesia-Gemeente uit Israël”, het heilsorgaan in deze wereld, als een Koninklijk Priesterdom, Israël opdracht. (1 Petrus 2:9).

Maar zolang dus de Gemeente nog niet weet wie of wat het Koninkrijk van God is (Dat is Israël), zal het Koninkrijk van Christus op aarde nog niet geopenbaard worden.

De Here Jezus illustreert dit feit met de gelijkenis van de tien ponden. Hij zegt daarin dat “Een zeker welgeboren man in een vergelegen land reisde, om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen, en dan weer te keren” (Lucas 19.12).

De Here sprak deze gelijkenis om een misverstand weg te nemen. De Joden meenden dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden (Lucas 19:11). Doch dit was evengoed een vergissing, als toen de discipelen Hem na Zijn opstanding vroegen: “Here, zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weer oprichten?” (Handelingen 1:6).

Laten wij er goed op letten, dat de Here Jezus bij de gelijkenis in Lucas 19 niet zegt, dat er geen Koninkrijk komt, maar dat Hij eerst moet heengaan om het te ontvangen. Ook tegen de discipelen op de Olijfberg zegt Hij niet dat hun verlangen naar en hun mening over dat Koninkrijk vergissingen waren, doch wel dat zij zich niet moesten inlaten met de tijd der openbaring, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.

Verder moeten we er op letten, hoe de Heiland in Lucas 19 er op wijst dat eerst met de ponden moet worden gehandeld (13) en in Handelingen 1:8 dat eerst de kracht van de Geest moet worden ontvangen om van Hem te getuigen tot aan de uitersten der aarde. De hier genoemde uitspraken van de Here Jezus voor Zijn sterven en ná Zijn opstanding hebben betrekking op dezelfde zaak. De Gemeente van Christus moet in deze bedéling getuigen en “handeling doen” gedurende de afwezigheid van de Koning. Moeten getuigen van het Evangelie van het Koninkrijk het hersteld van al de twaalf stammen. Eerst daarna zal het Koninkrijk worden opgericht.

De Schrift maakt op zo’ n gemakkelijk te begrijpen wijze melding van het Koningschap van Christus, dat wij tot geen andere conclusie kunnen komen, dan dat Hij eenmaal op deze aarde, op een voor mensen waarneembare wijze, als Koning zal heersen op de troon van David en dat dit Koningschap de heerschappij over de koninkrijken van deze wereld zal betreffen (Openbaring 1 1:15).

Op de troon van David

Christus’ Koningschap is niet te scheiden van de troon van David. Gabriël kondigt aan, dat Christus Koning zal zijn over het huis van Jakob op de troon van David. We mogen dat niet door onze bedenkingen en beschouwingen vertroebelen.

Waarom zou Christus niet op deze aarde kunnen komen? Is God niet neergedaald op de Sinaï? Zijn Mozes en Elia niet in verheerlijkte toestand op de Tabor geweest? En spreken Psalm 68:25 en Ezechiël 43:4 niet van een heerlijkheid Gods op aarde in waarneembare vorm? Laten wij toch eens ophouden met te zeggen, “Maar dat kan toch niet!”

Jesaja 9:5,6 zegt over het Kind dat geboren, en de Zoon die van God gegeven is, dat de heerschappij op Zijn schouder zal zijn, namelijk de heerschappij van de vrede op de troon van David en in zijn Koninkrijk.

Dat Koninkrijk moet: echter nog bevestigd worden door gericht en gerechtigheid (Jesaja 9:6). Eerst moeten alle vijanden onderworpen worden. Christus is thans gezeten aan de rechterhand van de Vader, waar Hij voorts verwacht, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten (Hebreeën 10:12).

Er worden door de theologen allerlei verklaringen gegeven van de troon van David. Maar de beste verklaring is die, welke de Schrift zelf van deze troon geeft.

De troon van David was niet en is niet in de hemel. De troon van David is niet in onze harten. De troon van David was in Jeruzalem als het centrum en de oorsprong van Israëls regering en nationaliteit. Aan het huis van Jakob kan men niet dan zeer geforceerd en met onnatuurlijke toepassing de betekenis geven van de Kerk. Het ligt voor de hand, dat iedere Christelijke lezer de woorden in hun letterlijke en voor de hand liggende betekenis zou hebben genomen, en zou hebben geloofd dat Jezus eenmaal zal heersen op de troon van David als de erkende Koning van het huis van Jakob, indien niet de allegorisering en z.g. vergeestelijking van de Bijbel in zwang was gekomen, die er alles uitperst wat iemands eigen grillen er uit wensen te halen.

Voor de bewering, dat “de troon van David” en “het huis van Jakob” elders in het Nieuwe Testament genoemd worden in de figuurlijke zin van de Kerk, zal men tevergeefs naar bewijzen zoeken. De toespraak van Petrus op de Pinksterdag wordt door de allegorische uitleggers gewoonlijk aangehaald als het gezaghebbend bewijs, dat de belofte van de troon van David in Lucas 1 vervuld werd in de opstanding van Christus, Zijn opvaren ten hemel aan de rechterhand van de Vader en de uitstorting van de Heilige Geest als eerste uitoefening van Zijn Koninklijke macht (Handelingen 2:25-35).

Maar de opmerkzame lezer van de Bijbel zal zien, dat de apostel iets dergelijks niet beweert. Hij zegt niet, dat de belofte van een opvolger op de troon van David vervuld was, noch dat God Jezus had opgewekt om Hem nu reeds op de troon van David te plaatsen. Hij zegt integendeel uitdrukkelijk, dat onze opgevaren Here gegaan was naar een plaats, die David niet innam of inneemt en dat Hij daar zijn zal totdat “de zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed” om dan, en niet eerder, bezit te nemen van de troon van David. Die troon van David, of het beloofde Koninkrijk, zal Hem gegeven worden ten tijde van het nationaal herstel en de bekering van de Israël, het geen zal plaats vinden ten tijde van de wederoprichting aller dingen, als God Hem, Jezus Christus, zal zenden van de hemel, die Hem nu ontvangt; immers dit wordt door de apostel duidelijk uiteengezet in het volgende hoofdstuk.

“Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher” (Handelingen 3:19-21).

Koningspsalmen en koning profetieën

Psalm 72 is de Koningspsalm bij uitnemendheid; deze onderwijst ons aangaande het gebied en het karakter van het Koninkrijk van Christus. Het zal een aards gebied zijn, want Hij zal heersen van zee tot zee en van de rivier tot de einden der aarde (:8). Het is een toekomstige heerschappij, die niet toepasselijk is op het heden en ook niet. op de nieuwe hemel ‘en de nieuwe aarde, want er zullen nog “nooddruftigen en ellendigen” zijn, over wie de Koning recht zal doen (:12-13). Men kan Psalm 72 evenmin in de tegenwoordige wereldbedéling plaatsen, als in het gouden eeuwigheidstijdperk waarin God alles in allen zal zijn. Alleen in het Duizendjarig Rijk, wanneer Christus op de troon van David zal regeren op aarde, kan de profetische Psalm 72 tot zijn volle recht komen.

Zo zegt ook Zacharia 14:9 dat de Here tot Koning zal zijn over de ganse aarde. “Vanuit Zijn troon te Jeruzalem zullen dan levende wateren vlieten” (:9).

Dat zijn kenmerken, die het gebied duidelijk genoeg aangeven. De, daarop volgende beschrijving van de bijzonderheden aangaande het omliggende land en de omliggende volken bevestigt dit nog sterker. De vermelding van de bellen der paarden en van de potten waarop zal staan: “De heiligheid des Heren” (:20) wijst eveneens duidelijk naar een bepaald tijdperk in de wereldgeschiedenis heen, waarin deze dingen letterlijk en feitelijk op aarde aanschouwd zullen worden.

Tot dusver is deze profetie nimmer vervuld. Zij kan echter niet vergeestelijkt of op de nieuwe aarde toegepast worden. Op de nieuwe aarde zullen geen tempel en tempelpotten meer zijn (Openbaring 21:22), en waarschijnlijk ook geen bellen van paarden meer gevonden worden. Verschillende Psalmen bezingen het Koningschap van Christus over de ganse aarde.

In Psalm 45 bijvoorbeeld wordt Zijn Koningschap bejubeld. In Ps. 47 wordt in één vers zelfs tot driemaal toe het “Psalm zingt” herhaald met betrekking tot Gods Koningschap over de ganse aarde.

In Psalm 48 wordt beschreven hoe schoon van gelegenheid Jeruzalem is, de stad van de grote Koning.

In Psalm 97 worden de geweldige verschijnselen beschreven, die de uitvoering van Christus’ Koningsheerschappij zullen vergezellen.

Psalm 99 leert ons het karakter van deze regering zien en Psalm 145 zegt hoe de volken bekend zullen worden met de ere der heerlijkheid van Zijn Koninkrijk (:11,12).

In de Psalm 96 en 98 komt alles wat op aarde is in beroering omdat de Koning komt om de aarde te richten.

Het is heerlijk om door het zingen van deze Psalmen innerlijk gesticht te worden, maar dat geeft ons niet het recht om van de letterlijke vervulling van de Koningsprofetieën iets af te doen, en maar na te praten dat wij nu al in dat Koninkrijk leven en dat Christus thans reeds op de troon van David zit en als Koning regeert.

Alle koninkrijken van de wereld zullen aan Hem onderworpen worden; en met ijzeren scepter zal Christus als Koning over hen heersen in het Duizendjarige Rijk.

Nog andere schriftplaatsen die van dit Koninkrijk spreken

Jesaja 11:10: “Want het zal geschieden te dien dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï; die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn”.

Jesaja 24:23: “En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als de Heere der heerscharen regeren zal op de berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn”.

Jesaja 32:1: “Ziet, een Koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht”.

Jeremia 3:17 “In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen de troon des Heren”.

Jeremia 23:5 “De Here zal aan David een rechtvaardige Spruit verwekken; Die zal, Koning zijn de regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op aarde”.

Ezechiël 34:24 “En Ik, de Here zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen”.

Ezechiël 37:23-24: “Zo zullen zij Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn. En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn”.

Hosea 3:5: “Daarna zullen de kinderen Israëls zich bekeren en zoeken de Here hun God, en David hun Koning, en zij zullen vrezende komen tot de Here en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen”.

Micha 2:12,13: “Voorzeker zal ik u, o Jakob, gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen….. en hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de Here in hun spits”.

Micha 4:7: “En ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtig volk; en de Here zal Koning over hen zijn op de berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid”.

Zefanja 3:15: “De Here heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. de Koning Israëls de Here, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien”.

Mattheüs 19-28: “En Jezus zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg U, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, (ni. aller dingen) wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls”.

We hebben er goed op toe te zien, dat wij al deze profetieën niet verzwakken door er slechts een algemene stichtelijke betekenis aan toe te kennen. De tijd komt, dat Jezus Christus als Israëls Koning op de troon van David openbaar zal worden, als de vervulling van de boodschap van Gabriël aan Maria: “God de Here, zal Hem de troon van Zijn Vader David geven”.

Waarschuwing:

De “Kerk van vandaag maakt net zo’n grote fout als de Joden in het begin bij het leven van de Here Jezus. Toen de Messias als Zaligmaker kwam, wilde de Joden alleen een koning hebben. Nu de Here Jezus op het punt staat om als koning naar de aarde te gaan, wil de kerk alleen maar een Zaligmaker.

Het Jodendom als geheel hebben Zijn Zaligmakersschap van Israël door Jezus verworpen.

De kerken van vandaag als geheel verwerpen Zijn koningschap over Israël.

De Joden ten volle bewust van Gods Verbond met Abraham, Isaäk, Jakob en David, wilden alleen een aardse koning hebben. Vandaag wil de kerk, blijkbaar alleen een geestelijke koning hebben.

Zoals de Here Jezus door de toenmalige leiders bij Zijn eerste komst verworpen is, wordt het nu duidelijk dat Hij door de huidige godsdienstige leiders nu, als aardse Koning over Israël bij Zijn Tweede komst naar de wereld verworpen.

kolonel G.J.van Loon

——-oOo——-

Comments are closed.