Historie van Israël

DE VERBONDEN MET ISRAËL

Toen na de zondvloed God een verbond sloot met Noach, kreeg deze een teken van God, dat de aarde nooit meer onder zou gaan door water, namelijk de regenboog. De watermassa die de aarde had omgeven, was verdwenen (Genesis 1:6). Voor het eerst traden klimaatverschillen op (Genesis 8:22). Zon, maan en sterren werden zichtbaar. En niet lang daarna zou het mensdom, ondanks de straf van de zondvloed, hierin hun goden herkennen en aanbidden.

Aanvankelijk was het nog de mens, die de macht aan zich wilde trekken. Zo was daar Nimrod, de kleinzoon van Cham, die zich opwierp als geweldenaar. Hij was het die de mens bevrijdde van het wild gedierte, maar ook van de HERE God. Later trad hij op als overheerser van de mens. Daartoe bouwde hij steden, zoals Babel, Erech, Akkad, Kalne en nog andere, waaronder Nineveh.

Later heeft men hem onder diverse namen als godheid vereerd, zeer waarschijnlijk als o.a. Osiris, Ninurta, Pan en Tammuz (zie Ezechiël 8:14). Daarna werd hij ook wel Ala Maozim, god van de vestingen, genoemd. Overigens heette zijn vader Kush, later vergoddelijkt tot Bel (Baäl) en Merodach. De vrouw van Nimrod was de ‘godin’ Semiramis, de latere Astarte of Diana. De mythologie is te uitgebreid om hier nader op in te gaan. In ieder geval was de verering van de nu zichtbare hemellichamen begonnen.

Toen daalde God af om te bezien het boze plan van de mens, in wezen Satans plan. En God zag het oog van de mens gericht op de sterrenhemel (Toren van Babel). Het bleek dat de mens niet ‘hoog genoeg’ keek. De mensheid faalde weer. En nadat God hen verstrooid had, maakte God op wondere wijze een nieuw begin: God riep Abram en wel uit een verheidenste familie (Jozua 24:2), weg uit het Babylonisch systeem. Van Abraham staat: “Door het geloof is hij, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen en hij vertrok zonder te weten waar hij komen zou” (Hebreeën 11:8).

“En het werd hem tot gerechtigheid gerekend” (Genesis 15:6). Ja, God had een plan, een voor de Adamieten onvoorstelbaar groots plan, namelijk het scheppen van een heilig (=apart gezet) volk, een uitverkoren natie (misrekening voor Satan).

Toch leek alles mis te gaan. Dat kwam omdat Israël niet begreep of niet wilde begrijpen wat God met uitverkoren bedoelde: zij moesten Gods dienstvolk zijn, een voorbeeld tot heil voor de heidenvolken (Leviticus 25:55). Een volk van knechten Gods, dat de eer zou hebben de Verlosser der wereld voort te brengen.

Deze verkiezing gold met nadruk het volk, voor het individu geldt ten allen tijde persoonlijke bekering. Zo dachten de Farizeeën: “Wij zijn Abrahams nageslacht, dus kinderen Gods” (Mattheüs 3:7-9). De uitverkiezing had dus in de eerste plaats Israël op het oog, op de verlossing van de wereld, Gods schepping, namelijk uit Satans macht.

Daarom zou Israël gezegend worden: “Hij heeft Zich Israël zijn knecht aangetrokken om te gedenken aan barmhartigheid, gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, voor Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheid” (Lucas 1:54-55).

“Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht, en heeft ons een hoorn des heils opgericht, in het huis van David, zijn knecht, – gelijk Hij gesproken heeft door de mond zijner heilige profeten van oudsher – om ons te redden van onze vijanden en uit de hand van allen, die ons haten, om barmhartigheid te betonen aan onze vaderen en zijn heilig verbond te gedenken, de eed, die Hij zwoer aan Abraham, onze vader, dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen. En gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten; want gij zult uitgaan voor het aangezicht des Heren, om zijn wegen te bereiden, om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden, door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmede de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien”(Lucas 1:68-75).

“Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël”(Lucas 2:29-32).

God koos dus Abram omdat hij oprecht was in zijn geslacht (Tamim-raszuiver). God wilde uit Abraham een nieuwe mensdom scheppen. Na veel tegenwerking van de kant van Abraham, schonk God hen een zoon Izaäk. Maar God zei: “Mijn verbond zal Ik met Izaäk oprichten”. En zo schiep God Zich een nieuw volk op bovennatuurlijke wijze (Genesis 17:18-22).

Inhoud van het verbond:

1.Ik zal u tot een groot volk maken (Genesis 12:1-3)

2.Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven (Genesis 12:7)

3.Ik zal u dit land voor altoos geven (Genesis 13:14-17)

4.Het zal worden tot een zeer groot volk (Genesis 15:5-6)

5.De grenzen worden door God bepaald (Genesis 15:18-21)

6.Abram wordt Abraham (vader van vele volken) (Genesis 17:5)

7.Koningen zullen uit u voortkomen (Genesis 17:6, 16)

8.Abraham zal gebouwd worden uit Izaäk (Genesis 18:10)

9.God zweert bij Zichzelf: Ik zal u rijk zegenen, een zeer talrijk nageslacht geven, als de sterren aan de hemel en het zand aan de zee (Genesis 22:17)

10.God zweert bij Zichzelf: Uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen (Genesis 22:17)

11.Alle volken der aarde zullen met uw nageslacht gezegend worden (Genesis 22:18)…

Het is een onvoorwaardelijk, eeuwig en éénzijdig verbond:

1.Eénzijdig: Alleen God gaat tussen de stukken door (Genesis 15:12-18; vgl. Jeremia 34:18-19).

2.God zweert bij Zichzelf (Genesis 22:16)

3.Het is een eeuwig verbond (Genesis 17:7)

4.Herhaling van Gods eed aan Izaäk (Genesis 26:3-5)

5.Herhaling van Gods beloften aan Jakob (Genesis 28:13-15 en 35:10-13)

6.Diverse bevestigingen van het verbond: Jozef (Genesis 50:24); Mozes (Exodus 6:7; Deuteronomium 1:8; 6:10; 9:5; 29:13; 30:20; 34:4); David (1 Kronieken. 16:15-18; Psalm 105:8-11; 111:5,9); Jesaja (Jesaja 41:8-10; 51:1-2); Jeremia (Jeremia 33:25-26); Micha (Micha 7:20).

Beroep op het verbond

Mozes (Exodus 2:24; 32:13); Joas (10-st.) (2 Koningen 13:23); David (1 Kronieken 29:18); Josafat (2 Kronieken 20:7); Hizkia (2 Kronieken 30:6); Nehemia (Nehemia 9:7-8); Micha (Micha 7:18-20).

Enkele teksten uit het Nieuwe Testament i.v.m. de beloften aan Abraham

1.Bevestiging van de beloften aan Abraham (Lucas 1:54-55).

2.God gedenkt de eed gezworen aan Abraham (Lucas 1:72-75).

3.Gij zijt zonen van het verbond met Abraham (Handelingen 3:25).

4.Verbond met Abraham is niet afhankelijk van de Mozaïsche wet (Romeinen 4).

5.De belofte van groot volk enz., maar de zaligheid heeft betrekking op het individu (Romeinen 9:1-13).

6.De belofte blijft: ondanks, ja zelfs door hun ongeloof kwam toch de zegen van het Evangelie tot het verheidenste deel van Israël (Efraïm). Hierna zal geheel Israël zich bekeren. (Romeinen 11).

7.Het verbond (hier Testament) blijft. NB 1 Het Mozaïsch verbond (de wet) kwam 430 jaar na de beloften aan Abraham. Het eerste was voorwaardelijk, dat aan Abraham onvoorwaardelijk. NB 2 De Galaten (Kelten, Galliërs) waren een deel van Israël in de verstrooiïng; zij waren kennelijk nog zeer goed op de hoogte van hun geschiedenis. Zij waren verheidenst, onbesneden (Galaten 3:15-18).

8.God zwoer aan Abraham, omdat Hij bij niemand hoger kon zweren (Hebreeën 6:13-20). NB Hebreeën 8:1-13 slaat duidelijk op het Mozaïsch verbond, dat vernieuwd zal worden.

9.God ontfermt zich over het nageslacht van Abraham.

10.Door het geloof alleen vertrouwen op Gods beloften (Hebreeën 11:8-22).

11.Door het Evangelie van Jezus (fundament van de 12 apostelen) kan men binnengaan door de 12 poorten van Israël. Dan is Gods plan vervuld en Israëls taak volbracht (Openbaring 21:9-14).

Alle beloften aan Abraham gingen over op Izaäk en toen deze twee zonen kreeg, namelijk Ezau en Jakob, was het God, Die de beloften op Jakob deed overgaan. Als mens in de dagelijkse omgang komt Ezau bij ons misschien beter over dan Jakob. Maar toen Ezau later toch het eerstgeboorterecht wilde ontvangen, was er één zegening, die hem niet interesseerde, nl. die éne zegen, waar het in het Abrahamitische verbond uiteindelijk om ging (2 Korintiërs 5:17-19). Het was Jakob, die later de erenaam Israël ontving. Voor Ezau restte slechts: “Van uw zwaard zult gij leven en uw broeder zult gij dienen” (Genesis 27:40). En God zei: “Jakob heb ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat” (Romeinen 9:13).

De Zegen van Jakob/Israël

Tegen het einde van zijn leven riep Jakob zijn zonen bijeen voor de overdracht van Gods beloften. Eén van de 12 zou het eerstgeboorterecht ontvangen. Maar wie? En wat zou er resteren voor de anderen? Volgens gewoonterecht zou dit recht overgaan op Ruben. Maar Gods wegen zijn niet onze wegen. Het zou niet de eerste en ook niet de laatste keer zijn, dat de oudste werd overgeslagen. Gods regels zijn anders: “De mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan” (1 Samuel 16:7-13).

Zo kwam Kaïn na Abel, Ezau na Jakob en David vóór zijn broers. Zo ging hier het eerstgeboorterecht over, let wel, op de zonen van Jozef, kinderen van een Egyptische moeder! En zelfs hier ging Efraïm, de jongste vóór (Genesis 48:17-20; vgl. ook 1 Kronieken 5:1-2 en Jeremia. 31:9, 20). Toen later de andere zonen kwamen, restten slechts woorden voor de verre toekomst. Zelfs Benjamin, zoon van zijn geliefde Rachel zal waarschijnlijk niet erg onder de indruk geweest zijn.

Alleen voor Jozef was er nog een overdaad aan zegeningen (Deuteronomium 33:13-17). En tòch…toch was er nog één geweldige zegen te vergeven. Had God niet gezegd aan Abraham: Er zullen koningen uit u voortkomen! Wel “Juda, ù zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen” en verder: “De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt en hem zullen de volken gehoorzaam zijn” (Genesis 49:8, 10). Silo, Hij die er recht op heeft, dat is onze HERE Jezus.

Zo waren er dus maar twee zonen met een echte zegening:

1. Jozef of beter Efraïm (de Schutse): het gehele Huis Israëls (10 stammen) (Ezechiël 37:16) en

2. Juda, de heersersstaf, waarbij nog onderscheiden wordt het koningshuis en het Tweestammenrijk (Psalm 60:9).

De Bijbel maakt duidelijk onderscheid tussen deze twee huizen. De Psalmdichter zegt ons, dat dit verschil er al vanaf het begin geweest is. “Toen Israël uit Egypte toog, Jakobs huis uit een volk van vreemde taal, werd Juda tot zijn heiligdom, Israël zijn rijksgebied”(Psalm 114:1-2).

Het is opvallend, dat er eigenlijk nooit (op ± 90 jaar van Saul, David en Salomo na) een echte eenheid tussen de stammen is geweest. Het was Mozes, die dit al profeteerde: “Hoor, HERE, de stem van Juda en breng hem tot zijn volk” (Deuteronomium 33:7). In wezen bestond Israël al vanaf de Exodus uit een soms samenwerkende, maar meestal een op zichzelfstaande groep stammen (Richteren 10:9). Ook dienen we erop te letten, dat als de Bijbel (vanaf Salomo) de naam Israël gebruikt, bijna altijd de Tien Stammen bedoeld worden (1 Koningen 4:20 en 25). In Davids tijd werd Benjamin al tot het huis van Jozef gerekend (2 Samuel 19:20).

Andere voorbeelden: Geheel Israël (10 stammen) luisterde niet naar Rehabeam (1 Koningen 12:16); Jerobeam werd koning over Israël (1 Koningen 14:7); Israël, de Afkerige, Juda, de Trouweloze (Jeremia 3:6 en 18); het huis Israël en het huis Juda (Jeremia 5:11); Juda tegenover het gehele huis van Israël (Jeremia 9:26); zie verder o.a. Jeremia 11:10,17; 31:27,31; 32:30; 50:33; Ezechiël 9:9; 37:16; Juda en de Israëlieten die erbij behoren, denk bijv. aan Anna de profetes uit Aser: Hosea 1:2-7; 4:15; 5:3; Amos 2:4-6; Zacharia 11:12-14.

Israël/Juda

Een enkele maal wordt het huis Juda ook Israël genoemd. Immers Juda, Benjamin en Levi waren ook Israël-stammen: “beide huizen van Israël” (Jesaja 8:14); “Hoor naar Mij, huis van Jakob en geheel het overblijfsel van het huis Israël” (Jesaja 46:3); “Indien gij u bekeert, Israël” (= mannen van Juda en Jeruzalem) (Jeremia 4:1). Tegen Zedekia wordt gezegd: “Gij onheilige, goddeloze vorst van Israël” (Ezechiël 21:25).

Het koninkrijk Israël bestond nu nog maar uit tien stammen. Immers er staat geschreven: “Neem voor u tien stukken, want zo zegt de HERE, de God van Israël: zie Ik ga het koninkrijk van Salomo afscheuren en Ik geef u de tien stammen” (1 Koningen 11:31). Dat Davids stam Juda de stam Benjamin mocht behouden had twee redenen: Jeruzalem was de stad Davids èn lag in het gebied van Benjamin. Jeruzalem is de stad die God verkoren had, daar stond de tempel (Juda was immers Gods Heiligdom). Zo bleef de troon van David nog zinvol: “Ik zal echter één stam geven (aan Rehabeam) opdat mijn knecht David altijd een lamp voor mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem” (1 Koningen 11:36).

Let wel dat de troon van Davids huis voor immer zal voortbestaan (Psalm 89:28-38), ook al regeert het dan nu niet meer over ‘het’ koninkrijk Israël. In wezen was nu dezelfde situatie ontstaan als bij Davids eerste zeven jaar (1 Koningen 2:11). Juda had een andere functie. Het zitten op de troon van het huis Israël was met Rehabeam voorbij. En toen later de Joden Jezus tot koning wilden uitroepen, zou Hij, stel dat Hij dat gewild had, dat niet eens op Zich genomen kúnnen hebben. Zijn taak was toen het Hogepriesterschap en dat moest in Juda zijn (Het Heiligdom). Pas later, na de hereniging van Juda en Israël zal Hij het koningschap aanvaarden.

Overigens wat een tragiek: een koninkrijk zonder Davids huis en Davids huis zonder koninkrijk Israël

Efraïm/Israël

Het ging dan ook volkomen mis met Efraïm. De geschiedenis is bekend en ook de afloop. 2 Koningen 17:18: “Daarom was de HERE zeer vertoornd geworden op Israël en had hen van voor Zijn aangezicht verwijderd: niets bleef over dan alleen de stam van Juda”. Hoe waar was hier het woord van Hosea (3:4): “Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer, zonder gewijde steen, zonder efod of terafim”.

Merk op dat hier niets gezegd werd over de troon van David. Trouwens, ten tijde van Hosea regeerde nog altijd een koning uit Davids huis (o.a. Hizkia). Efraïm echter, gedeporteerd naar Assyrië in 722 v.Chr. leek voorgoed verdwenen. Maar God zei het anders: “Zie Ik zal haar lokken en haar leiden in de woestijn (d.w.z. buiten het land Israël) en spreken tot haar hart” (Hosea 2:13).

En ook Ezechiël sprak in dergelijke bewoordingen (20:35): “Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden”. Dan was er Jesaja, die steeds maar weer moest profeteren: “Hoort mij zwijgend aan en laten de volken (nl. Israël) nieuwe kracht putten; laten zij toetreden en dan spreken; laten wij tezamen in het gericht gaan. Wie heeft hem uit het Oosten verwekt (=Assur), die bij elke schrede de zege ontmoet“, en verder: “Hij vervolgt hen, hij gaat ongedeerd voort op een pad dat hij nog nooit had betreden. Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten (Israël) van de aanvang heeft geroepen; Ik de HERE, die de Eerste ben en bij de laatsten ben Ik dezelfde. De kustlanden zagen het en werden bevreesd; de einden der aarde sidderden, zij naderden en kwamen nabij; de één hielp de ander en zei tot zijn makker: Houd moed!” (Jesaja 4:1-6). Ja, uit het Oosten (Assur) als het ware weer opnieuw tot leven gebracht.

En dan: “Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, gij die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen heb uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht. Ik heb u verkoren en u niet versmaad – vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand” (Jesaja 41:8-10). En verder: “Op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten” (Jesaja 42:4), wat uitmondt in: “Zingt de HERE een nieuw lied, zijn lof van het einde der aarde” (Jesaja 42:10).

Opgemerkt zij, dat ten tijde van het Oude testament onder de verre kustlanden (in het Hebreeuws hetzelfde als eilanden) de Noordatlantische kusten bedoeld werden (Engeland, Ierland, Nederland, Scandinavië). Deze kusten waren alleen bekend aan de Foeniciërs en de met hen meevarende Danieten: Deborah weet er al van (Richteren 5:17). En wat te denken van Zebulon/Nederland (Genesis 49:13; Deuteronomium 33:18).

Overigens wat Dan betreft: Oude Ierse kronieken vermelden de aankomst aldaar, in de Richterentijd, van een volk Danan. Mag er verder nog gewezen worden op de volgende teksten: “Hoort naar Mij, gij kustlanden, en luistert, gij natiën in de verte. De HERE heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot mijner moeder aan heeft Hij mijn naam vermeld” (Jesaja 49:1).

Op mij zullen de kustlanden wachten en op mijn arm zullen zij hopen” (Jesaja 51:5). En nog: “Want op Mij zullen de kustlanden wachten; de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn om uw zonen van verre aan te brengen” (Jesaja 60:9).

Opmerking: schepen van Tarsis (waarschijnlijk Tarsessus in Spanje) zijn Foenicische schepen. Deze voeren via de zuilen van Hercules (= straat van Gibraltar) o.a. op Ierland en Zuid-Engeland (tinhandel). Zo schreef Jeremia (31:10): “Verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die Israël verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde”. Als Jeremia dit laat opschrijven door zijn schrijver Baruch, zijn de Tien Stammen al ruim honderd jaar tevoren naar Assyrië gedeporteerd: “Salmanéser voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Halah, aan de Habor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden” (2 Koningen 17:6 en 18:11).

Zo gingen eerst de Overjordaanse stammen en later geheel Efraïm (1 Kronieken 5:26). Dit alles gebeurde dus ten tijde van Hizkia. Enige tijd later trok Salmanéser ook op tegen het zuidelijke rijk en voerde ook een deel van de bevolking van Juda en Benjamin mee. Er staat geschreven: “niets bleef over dan de stam Juda alleen” (2 Koningen 17:18). Op een spijkerschrift-tablet vermeldde Sanherib de verovering van 46 steden in Juda (o.a. Lachis en Libna). Van de bevolking van Juda zal wel niet veel overgebleven zijn. Zie hiervoor ook Jesaja 37:8 en Jeremia 34:7. Zo kwamen zij dus te Medië ten zuiden van de Kaspische Zee.

Het Huis Juda

Intussen had het huis Juda, kleiner en zwakker dan het huis van Israël, zijn eigen geschiedenis. Na Rehabeam volgden de koningen uit het geslacht van David, met zijn hoogte- en dieptepunten. Van weinig koningen kon gezegd worden dat zij deden, wat goed is in de ogen des HEREN: slechts Asa, Josafat, Joas en Hizkia deden wat recht is in de ogen des HEREN. Hierna gaat het, met als lichtende uitzondering Josia, steeds sneller bergafwaarts.

Overigens was Juda al vanaf de intocht in Kanaän min of meer zelfstandig (Richteren 19:9). Toen het jeugdige volk Israël (op Jozua en Kaleb na waren de mannen hooguit 58 jaar!) op het punt stond Kanaän binnen te trekken, sprak Mozes het volk voor de laatste maal toe. Ook hier was het weer Jozef, die de volle zegen kreeg toebedeeld (zegen op zegen) en wel met de nadruk alweer op Efraïm (Deuteronomium 33:13-17).

Maar als we dan lezen, wat Juda zou overkomen, kijken we vreemd op: “En dit betreft Juda. Hij zeide: Hoor, HERE, de stem van Juda en breng hem tot zijn volk; zijn handen strijden voor hem, en wees Gij hem een hulp tegen zijn tegenstanders” (Deuteronomium 33:7).

Wat nu? Leefde niet altijd de gedachte dat Juda de uitverkoren stam was: “Juda, gij zijt het, u zullen uw broers loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden. De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt” (Genesis 49:8).

Nogmaals: terug tot zijn volk (Israël) Was het juist niet Efraïm-Israël, die om zijn gouden kalveren (Jerobeam) en Baäls-dienst (Achab) weggevoerd werd En nooit meer terugkwam! Juda had het er in verhouding beter afgebracht: geregeerd door het koningshuis van David en de tempel in hun midden.

Bovendien waren er nog verscheidene koningen die hen op het rechte pad hielden (brachten). Ja, om diè reden ging Israël dan ook eerder onder: totaal en voorgoed. Maar Juda leerde er niet van (2 Koningen 21:9-15) en ondanks Gods ontferming door het zenden van boden (profeten) vroeg en laat en met het voorbeeld van Efraïm voor ogen, verachtten zij Gods woorden (2 Kronieken. 36:15-16). Toen was ook voor hen geen herstel meer mogelijk.

Wel heel duidelijk gaf Ezechiël dat weer in een zinnebeeldige voorstelling over Ohola en Oholiba (Ezechiël 23). Deze afval van Juda had evenwel een grote consequentie. We lezen namelijk dat de beker die Efraïm te drinken had gekregen, van haar werd afgenomen en dat Juda nu deze boordevolle, diepe en wijde beker tot de bodem zou moeten leegdrinken (Ezechiël 23:31-32).

Zo ging Juda, op de allerarmsten na, 130 jaar na Efraïm (Flavius Josephus boek X, hfdst. 11) naar Nippoer aan de Chebar. Hier zou de profeet Ezechiël optreden vanaf ±592 v.Chr. Deze ballingschap is overigens voor de meeste Judeërs minder moeilijk geweest dan men zou denken. Zo kwamen bijvoorbeeld van het koninklijk huis sommigen tot grote hoogte (o.a. Daniël en koningin Esther)(Daniël 1:3-6; Esther hfdst. 2). Toen dan ook Cyres (=Kores) de koning van Perzië na 70 jaar toestemming gaf naar Jeruzalem terug te keren (2 Kronieken 36:22-23) bleek het aantal ‘treurenden aan Babels stromen’ (Psalm 137:1-6) maar te bestaan uit 42.360 mensen, waaronder 652 die niet konden aantonen dat zij Israëlieten waren (Ezra 2:59). Waarschijnlijk waren dezen proselieten, maar zeker niet Efraïm. Trouwens later werden zij niet eens meer genoemd (Ezra 5:15).

Van de teruggekeerden werd gezegd dat zij naar Jeruzalem en naar Juda gingen, ieder naar zijn stad (dus niet naar het gebied van Efraïm). Ook Flavius Josephus zegt dat alleen de stammen van Juda en Benjamin weggevoerd werden (Ezra 2:1; Flavius Josephus boek IX, hfdst. 1). Na het wegsturen van de buitenlandse vrouwen en hun kinderen (Ezra 9 en 10) bleef een bevolking over, die nog het uiterlijk had van de oorspronkelijke Semitische Israëliet, o.a. lange dunne, geheel rechte neus, blauwe ogen en blond haar.

Dit mede naar aanleiding van Egyptische afbeeldingen. Zonder verder hierop in te gaan nog één opmerking; In 1853 viel het Sir Gardner Wilkinson bij zijn bezoek aan het Midden-Oosten op dat de daar wonende Joden blauwe ogen en rood haar hadden. De in Babel achtergebleven Judeërs vermengden zich met o.a. Hethieten, deze hadden een donker uiterlijk en een gebogen neus. De naam Jood werd voor het eerst gebruikt na de terugkeer uit Babel. Deze naam werd van toepassing op diegenen die zich hielden aan de wetten van Mozes en de inzettingen der Ouden.

Vermenging

In verband met deze vermenging met andere volken het volgende:

1. Ten tijde van Hizkia (Sanherib) en later van Zedekia (Nebukadnezar) vluchtten veel Judeërs naar het buitenland (o.a. Egypte) en vermengden zich.

2. De achtergeblevenen in Babel vermengden zich met de daar wonende bevolkingsgroepen en verspreidden zich vandaar over Medië, Armenië, India, etc.

3. In de tijd van Hyrkanus, zoon van Simon Maccabeüs, werden de Edomieten verplicht zich te laten besnijden en zich naar de Joodse godsdienst te schikken. Dit was n.b. door de wet niet eens toegestaan, want volgens de wet mochten zij pas in het derde geslacht worden opgenomen (Deuteronomium 23:7-8). En Flavius Josephus merkt op: Zo werden dus de aartsvijanden van Israël (Herodus!) Joden (Fl.Jos. boek XIII, Hfdst. 17).

4. Farizeeën maakten overal bekeerlingen (Mattheüs 23:15).

5. In de tijd van Jezus omwandeling woonden ± 100.000 Joden in Alexandrië (Egypte). Dit heeft ook de nodige vermenging gegeven.

6. Op het Pinksterfeest in Jeruzalem heeft Petrus wel een zeer gemêleerd gezelschap voor zich! (Handelingen 2:5-11).

7. Velen uit de volken des lands werden ten tijde van Esther Joden uit angst voor represailles (Esther 8:17).

8. Het verwijt van Ezechiël tegen Jeruzalem: Uw vader was een Amoriet, uw moeder een Hethitische (Ezechiël 16:3).

9. In ca. 800 n.Chr. gaat het gehele Russische volk der Chazaren met zijn koning over tot het Jodendom.

10. Ook een Arabische stam, de Falashas, in Jemen, gingen over tot het Jodendom.

11. En dan komen hedentendage bij gele en zwarte volken heel wat Joden voor.

Enkele opmerkingen

a. Het is duidelijk dat Abraham geen Jood was, zelfs geen Israëliet: Israël (=Jakob) moest nog geboren worden en zoals gezegd: de naam Jood ontstond pas na de Babylonische ballingschap.

b. De Joden zijn hedentendage geen ras, geen volk, maar een religie.

c. De definitie, die men in 1948 gaf aan de naam Jood, gaf vele problemen (zie punt b.). Tenslotte koos men voor: Als de moeder een Jodin is, dan ook het daaruit geboren kind (overigens heeft men bewust niet gekozen voor de naam Israëliet, maar voor Israëli). En welk een ironie, door deze definitie is door de Joden ook Jezus tot Jood verklaard, door zijn Joodse moeder Maria.

d. In de grondwet van 1948 bij de stichting van de staat Israël is officieel gesteld, dat men geen voortzetting van het oude Israël was. (Zie de originele uitgave in het Ivriet).

e. Net als in 1948 eisten de Judeërs in ± 594 v.Chr. (± 128 jaar na de wegvoering van Efraïm!) al het hele land voor zich op: “Mensenkind, het zijn uw broeders, uw broeders, uw verwanten en het ganse huis Israëls in zijn geheel, tot wie de inwoners van Jeruzalem zeggen: blijft verre van de HERE, aan ons is dit land in bezit gegeven. Daarom spreek, zo zegt de Here HERE, hoewel Ik hen weggedreven heb onder de volken en in de landen heb verstrooid, zodat Ik hun slechts weinig ten heiligdom geweest ben in de landen waar zij gekomen zijn, daarom spreek: Zo zegt de Here HERE: Ik zal u (Efraïm) vergaderen uit de volkeren en u bijeenbrengen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal ù het land Israël geven; zij zullen daar komen en daaruit verwijderen al zijn afschuwelijkheden en al zijn gruwelen; Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste, en Ik zal het hart van steen uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven, opdat zij naar mijn inzettingen zullen wandelen en naarstig mijn verordeningen onderhouden; en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn” (Ezechiël 11:15-20).

f. Velen zien hedentendage de Joden als het uitverkoren Israël. Mogelijk heeft Zacharia daar al op gedoeld, toen hij schreef: “In die dagen zullen tien mannen uit de volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judese man en zeggen: Wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is” (Zacharia 3:28).

g. Orthodoxe Joden wijzen de stichting van de staat Israël af, want zeggen zij:

De Messias is nog niet gekomen om Israël te herstellen (Jeremia 3, 23, 31).

 De tien stammen zijn nog niet teruggevonden en hebben dus nog geen deel aan de terugkeer van Israël naar het heilige Land (Ezechiël 37).

 De Joden braken hiermee de eed, dat zij nimmer met geweld in het heilige Land zouden terugkeren (Talmoed Ket 110b en 111a).

Zo zegt de Amerikaanse rabbijn Elmer Berger o.a.: “Ik tart de gefundeerdheid van de gevoelens van hen, die in de staat Israël de vervulling zien van de herstelprofetie. Het is een kronkellogica, een surrogaattheologie en een verdraaiing van de profetie om Israëls wereldpolitiek uit te leggen als uitvoering van een goddelijk plan” (rede Univers. Leiden 20-03-1968).

Over de Jood Henry Kissinger met zijn politiek ten opzichte van Israël, zegt hij: “Het product van het koortsige Teutoonse brein van Henry Kissinger”. En uit het blad “Vrienden van Jeruzalem” (1968): “Het Zionisme is zonder meer onverenigbaar met het goddelijk verbond (het Judaïsme). N.b. Bovenstaande uitspraken in deze geest zijn slechts weinige van de zeer vele uit orthodox joodse kringen.

De beloften over het koningschap

Tot nu toe hebben we, zij het in vogelvlucht, de geschiedenis van Efraïm en Juda bezien. Laten we weer teruggaan naar de tijd van Abraham. Behalve de beloften aan Abraham over een menigte van volken, staat nog recht overeind de belofte van God: “zie koningen zullen uit u voortkomen” (Genesis 17:6, 16).

Zoals alle beloften ging ook deze over op Izaäk. Jakob en zoals we zagen op Juda: “De scepter zal van Juda niet wijken totdat Silo komt en Hem (Jezus) zullen de volken gehoorzaam zijn” (Genesis 49:10). Nu is het laatste deel van deze profetie nog niet vervuld: De volken gehoorzamen nog steeds niet. Toch zal deze scepter heden nog steeds, naar Gods woord aanwezig moeten zijn.

Hoe ging het met deze belofte? Wel, tot aan de komst van Saul is God koning over Israël. Want toen Samuel klaagde bij God, was zijn antwoord: “Zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn” (1 Koningen 8:7). Wat het volk toen echter niet besefte was, dat hun koning uit de stam van Juda moest komen. En toen God dan toch Saul uit de stam Benjamin liet kiezen, was dit huis al bij voorbaat uitgeschakeld.

Er staat dan ook nergens, dat Saul op de troon des HEREN zat. En ook van David staat dat er niet. Het volk Israël is nl. te vroeg met het vragen om een koning. Het had moeten wachten op het huis van Juda. Maar dat was toen, op dat moment, nog niet hiervoor geroepen. Immers David is pas het tiende geslacht uit Juda en Tamar. En stond er niet geschreven: “Een bastaard zal niet in de gemeente des Heren (=qahal: de samengeroepenen) komen, zelfs niet zijn tiende geslacht” (Deuteronomium 23:2).N.B.

Qahal is de vergadering van de geroepen binnen de vergadering van het volk(=edah). David mag de grondlegger zijn van het huis. Echter Salomo, het elfde geslacht mocht zitten op de troon des HEREN (1 Kronieken 28:5 en 1 Kronieken 29:23) met zijn nakomelingen totdat Silo de rechthebbende om daarop weer plaats te nemen (vgl. Jeremia 3:17).

Denk hierbij aan de gelijkenis van Jezus: de arbeiders in de wijngaard, de Heer naar het buitenland. Zo mocht Salomo wel een uitzonderlijke vorst genoemd worden: Hij was een voorafschaduwing van onze HERE Jezus: koning en priester naar de ordening van Melchizedek. Salomo, de bestuurder en middelaar (1 Koningen 8:22-64).

Onvoorwaardelijk Verbond.

Wat nu betreft de belofte van God aan David over het koningshuis: deze is onvoorwaardelijk. De Schrift is daar zeer duidelijk in: “Ook kondigt de HERE u aan: De HERE zal u een huis bouwen. Uw zoon zal Mij een huid bouwen. Uw zoon zal Mij een huis bouwen en Ik zal zijn koninkrijk voor immer bevestigen. Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen. Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik haar heb doen wijken van Saul. Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht en uw troon vaststaan voor altijd” (zie 2 Samuel 7:11-16).

En Jeremia schrijft: “Zo zegt de HERE: Indien gij mijn verbond aangaande de dag en de nacht kunt verbreken, zodat er geen dag en nacht meer zou zijn op hun tijd. Dan zal ook Mijn verbond met Mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op Zijn troon” (Jeremia 33:20-21).

“Met Mijn uitverkorene het Ik een verbond gesloten aan Mijn knecht David heb Ik gezworen: Voor altoos zal uw nakroost bevestigen en uw troon bouwen van geslacht tot geslacht” (Psalm 89:4-5).

“Voor altoos zal Ik jegens hem Mijn goedertierenheid bewaren en Mijn verbond zal voor hem vaststaan; zijn nakroost zal Ik voor immer doen voortbestaan en zijn troon als de dagen des hemels. Indien zijn zonen Mijn wet verlaten en niet naar Mijn verordeningen wandelen, indien zij Mijn inzettingen ontwijden en Mijn geboden niet onderhouden, dan zal Ik hun overtredingen met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen; maar Mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden. Mijn trouw zal Ik niet verloochenen, Mijn verbond zal Ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. Eenmaal heb Ik bij Mijn heiligheid gezworen: Hoe zou Ik tegenover David liegen! Zijn nakroost zal voor altoos bestaan en zijn troon zal als de zon voor Mij zijn; als de maan zaal hij voor altoos vaststaan en de getuigen aan de hemelen is getrouw” (Psalm 9:29-38).

Let wel, dat hier niet Jezus bedoeld is: deze zou de wet nooit overtreden. David zelf heeft dit haast te groots gevonden en vol verwondering zegt hij dan ook: “En dit was nog te weinig in Uw ogen, HERE, daarom hebt Gij aangaande het huis van Uw knecht ook gesproken over de verre toekomst en dit is de wet voor de mens, HERE, HERE”. (Of anders: doet U zo met mensen?) (2 Samuel 7:19).

En elders staat: “Ik zal David en zijn zonen altijd een lamp geven” (2 Kronieken 21:7). Dat David zichzelf en de mens kennende, wel eens twijfelde, blijk aan zijn woorden aan Salomo: “Wees gij nu sterk, toon u een man, neem de plicht jegens de HERE, uw God, in acht“. En verder: “Opdat de HERE het woord gestand moge doen, dat Hij aangaande mij gesproken heeft: indien uw zonen op hun weg achtgeven en in trouw, met hun gehele hart en met hun gehele ziel voor Mijn aangezicht wandelen, dan zal het u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël” (1 Koningen 2:2-4).

Hoewel David van Gods beloften weet, wil hij toch Salomo wijzen op het dienen van God. David lijkt dus zelf een voorwaarde te willen stellen aan Gods belofte. Ook na de inwijding van Salomo’s tempel lijkt de belofte weer voorwaardelijk. God verschijnt aan hem en zegt: “Indien uw zonen zich ooit van Mij afkeren en Mij niet volgen. Mijn geboden en inzettingen die Ik u voorgehouden heb, niet volbrengen, maar andere goden dienen en daarvoor neerbuigen, dan zal Ik Israël uitroeien van de bodem die Ik hun gegeven heb en het huis dat Ik aan Mijn naam geheiligd heb zal Ik van mij wegstoten, zodat Israël tot een spreekwoord en een spotrede onder alle volken zal worden. Dit huis zal tot een puinhoop worden: ieder die er aan voorbijgaat zal zich ontzetten en fluiten en zeggen: waarom heeft de HERE alzo aan dit land en aan dit huis gedaan?” (1 Koningen 9:6-8).

Ondergang Israël en de tempel, afval huis van David.

En inderdaad zijn beide woorden uitgekomen: Israël is uitgeroeid uit het land (zei o.a. Hosea 2:13) en ging in ballingschap naar Assyrië, zonder terug te komen en de tempel is inderdaad verwoest (het gaat in (1 Koningen 9:1-9 over de tempel). Maar hier wordt niet gesproken over de troon van David. Ten slotte lezen we in het leerdicht van Ethan (die ten tijde van Salomo leefde en de afval en scheuring van het rijk zag) dat hij vol vragen zat over Gods belofte aan David: “Toch hebt Gij verstoten en versmaad, Gij zijt verbolgen geweest op Uw gezalfde. Zijn kroon ter aarde toe ontwijd; al zijn muren hebt Gij verbroken, zijn vestingen tot een puinhoop gemaakt; allen die op de weg voorbij gaan gingen, plunderden hem; hij werd een smaad voor zijn naburen” (Psalm 89:39-52).

Vergelijk 1 Koningen 14:25. Maar hiermee wilde en kon hij niet besluiten. Hij, Ethan, een wijze in Israël, wist en moest tenslotte erkennen: “Geloofd zij de HERE voor eeuwig. Amen, ja amen” (Psalm 89:53).

Veel later zei Petrus in zijn redevoering: “Daar hij (David) nu een profeet was en dat God hem onder ede gezworen had één uit de vrucht van zijn lendenen op Zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van Christus” (Handelingen 2:30). Dit kan niet op 2 Samuel 7:12 slaan, want daar staat 1e uw eigen zoon en 2e deze zoon (zonen) zal nog ongerechtigheid bedrijven.

Beter is te verwijzen naar 2 Samuel 23:3-4: “De geest des Heren spreekt door mij, Zijn woord is op mijn tong; Israëls God spreekt, Israëls Rots zegt tot mij: Een rechtvaardige heerser over mensen, een heerser in de vreze Gods. Hij is als het morgenlicht bij het opgaan der zon, een morgen zonder wolken: door de glans na de regen jong groen uit de aarde” (de tak van Nathan: 2 Samuel 23:3-4). En David moest erkennen, dat zo’n rechtvaardig vorst zelfs in zijn huis niet te vinden is, maar desondanks toch een eeuwig verbond kreeg (2 Samuel 23:5). En al werd hier niet van een eed gesproken, het spreken van de Geest des Heren is voldoende.

Afbraak huis van David

Inderdaad werd Davids vrees bewaarheid. Op de enkele genoemde uitzondering na, ging het met het koningshuis van David volkomen fout. Na jaren van wanbestuur door diverse koningen, komt Joahaz (= Johanan = Sallum) aan het bewind. Van deze zoon van de vrome Josia staat geschreven dat hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren. Na een “regering” van drie maanden zette Farao hem gevangen te Ribla (ten noorden van Damascus). Later bracht Necho hem naar Egypte, waar hij stierf (2 Koningen 23:31-34). Necho zette nu zijn broer Eljakim op de troon en noemde hem Jojakim. Maar toen trok Nebukadnezar de koning van Babel op. Necho werd verslagen en passant Juda in bezit genomen. Ook van Jojakim staat, dat hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren. En zo werd hij naar Gods woord te gronde gericht, Jojakim stierf en kreeg een ezelsbegafenis, buiten de poorten van Jeruzalem (Jeremia 22:19), waarschijnlijk te Babel of op weg daarheen (2 Koningen 23:35 tot 2 Koningen 24:7). Jojakim(=Jojachin) zijn zoon (geb.615 v.Chr.) volgde hem op in 597 v.Chr. Over hem moest Jeremia profeteren: “Land, land, land hoor des Heren woord: Zo zegt de HERE: schrijf deze man in als kinderloos, een man die in zijn dagen geen geluk heeft, want het zal aan geen van zijn nakomelingen gelukken om te zitten op de troon van David en weer over Juda te regeren” (Jeremia 22:20-30).

Hij werd nu door God Choja genoemd (de verwijzing naar Jahweh werd weggelaten). Het is interessant te weten dat archeologen scherven hebben gevonden, waarop de namen van Jojachin en vijf van zijn zonen, o.a. Sealthiël staan (Albright, Grant, Vincent en Wheeler). We lezen in 1 Kronieken 3:17: “De zonen van Jechonja waren: Assir en zijn zoon Sealthiël”. Nu betekent Assir: gevangene. Vertaald moet worden: Jechonja, de gevangene, zijn zoon Sealthiël. Bovendien moeten we bedenken dat Jechonja hooguit 18 jaar was toen Sealthiël werd geboren (vóór 598 v.Chr.).

Overigens is dit ook zo vertaald in de Luther vertaling. Eigenlijk was Sealthiël de zoon van Neria, van de tak van Nathan (Lucas 3:27). Daar Sealthiël geboren werd vóór de wegvoering (dus vóór 597 v.Chr.) en Jojachin bij de wegvoering waarschijnlijk geen kinderen had, ze worden in 2 Koningen 24:15 niet genoemd, daarentegen wel zijn moeder, zijn vrouw, rijksgenoten enz., kunnen we dus veronderstellen, dat Sealthiël door Jechonja als mogelijke troonopvolger geadopteerd was:

1. Hij kende de profetie van Jeremia en heeft deze mogelijk geloofd (Jeremia 22:30).

2.Verwachtte hij de doodstraf en wilde de troon veiligstellen?

3. Hoopte hij dat een kind van enkele jaren en dan niet van de naaste verwanten, de dans zou ontspringen? ‘t Is maar een veronderstelling.

Overigens had Sealthiël een zoon Zerubbabel (= spruit van Babel) Ezra 3:2,8; 5:12: Nehemia 12:1; Hagai 1:1, 12, 14, 24; 2:3; Mattheüs 1:12; Lucas 3:27). Eenmaal, maar dat in de verwarrende konigslijst van 1 Koningen 3:19 heet hij de zoon van Pedaja, zijn stief oom, zoon van Jojachim (volgens gevonden potscherven).

Mogelijk was Sealthiël te Babel overleden en werd Zurubbabel door Pedaja geadopteerd.

De Bijbel leert ons dat Jechonja in Babel 6 zonen kreeg. Op boven bedoelde potscherven werden er behalve Sealthiël nog vier genoemd, die allen geboren zijn voor 592 v.Chr. Of Jojachin zich in Babel bekeerd heeft is onbekend. Maar gezien de namen die hij zijn zonen geeft is het zeer goed mogelijk; Malchiram (mijn koning is verheven). Pedaja (Jahweh verlost), Senassa (? = Sebazzar?), Jekamja (Jahweh is van aanzien). Hosama (Jahweh hoort), Nedabja (Jahweh is mild, vrijgevig).

Na 37 jaar (volgens kleitabletten minder zware tijd dan we misschien dachten: hij krijgt immers nog 6 zonen) werd hij in volle eer hersteld. Nee, Chonja kwam ondanks de begenadiging niet weer terug. In zijn plaats had Nebukadnezar na de deportatie zijn oom Mattanja (= geschenk van Jahweh) aangesteld tot valzalkoning. Hij gaf hem een andere naam: Zedekia (Jahweh is macht, misschien wel ironisch bedoeld door Nebukadnezar).

De laatste koning in Jeruzalem

Zedekia zou de laatste strohalm blijken te zijn, maar ze werd niet gegrepen: “En Zedekia gaf geen gehoor, hij noch zijn dienaren, noch het volk des lands, aan de woorden des Heren” (Jeremia 37:2). Zelfs in zijn “goede” momenten ging hij niet op de knieën, maar vroeg hij Jeremia voor hem tot de HERE te bidden (Jeremia 37:3). Zedekia, de twijfelaar, die de weg kende, maar die niet ging. Hij die in de Naam van Jahweh trouw zwoer aan Nebukadnezar, verbrak de eed. En deze ontrouw nu beschouwde God als ontrouw aan Hemzelf: “Ik zal hem naar Babel voeren en daar met hem in het gericht treden” (Ezechiël 17:20b). Het is definitief uit (Ezechiël 17:9-10). Nebukadnezar kwam, doodde zijn zonen, stak hem de ogen uit en voerde hem in koperen ketenen naar Babel (2 Koningen 25:6-7; Jeremia 39:6-8).

Nu leek het doek gevallen: het huis Israëls voorgoed weg. Het huis van David uitgestorven. Alleen Juda mag nog een zwakke glimp van hoop overhouden: na 70 jaar Babel weer terug. Jahweh, de Eeuwige heeft zijn beloften en eden niet waar kunnen maken: noch aan Juda, noch aan Efraïm, noch aan David. De tegenstander satan heeft het gered!? Maar dit kan niet! En het zal ook niet zo zijn! God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken (Psalm 105:7-11). Hij, Die al uw ongerechtigheden vergeeft: “Niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig zal Hij toornen” (Psalm 103:9). Voor ons mensen is dit te wonderbaar. Maar zo niet bij onze God, zoals Jesaja mag schrijven: “Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen” (Jesaja 55:8). God wil dat wij Hem geloven, maar dan dienen wij toch tenminste te weten, wat Hij tot ons zegt; vandaar: “Elk van Gods ingegeven Schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mensen Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust” (2 Timotheüs 3:16-17).

Was dit gebrek aan onderzoek en geloof niet het probleem bij de Emmaüsgangers, waar Jezus hen verwijt: “O, onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben” (Lucas 24:25). En verwees Jezus eigenlijk ook niet voortdurend naar de profeten!? Zoals bijvoorbeeld naar Daniël (Daniël 12:11 vgl. Mattheüs 24:15-31).

Is het niet bevreemdend dat wij de profetieën kennen en toch dikwijls nonchalant ter zijde schuiven? Blijven velen niet bij de melkspijs? In de Hebreeën brief lezen wij: “Gij zijt traag geworden in het horen”. Velen leven nog van de melkspijs, in plaats van leraar te zijn. We praten over bekering van dode werken, van leer van dopen, enz. De schrijver van de Hebreeën brief wilde dit eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten. Hij wil voor de volwassenen (in geloof) de vaste spijs (Hebreeën 5:11 tot 6:3).

Afbraak en opbouw

Laten we nu nog eens teruggaan naar de geschiedenis van Zedekia. We zagen dat de troonpretendenten uitgeschakeld werden: Conja als kinderloos ingeschreven, de zonen van Zedekia dood! Dus de belofte aan David via Salomo nam een einde. Hiertoe gebruikte de Heer zijn dienstknecht Nebukadnezar. Hij hakte de ceder (= huis van David) om, na eerst de bovenste van de jonge takjes (regerend koningshuis) te hebben afgebroken en bracht deze naar Babel. Eén van de spruiten (Zedekia) plantte hij in een zaailand (Juda).

Maar Zedekia zocht hulp bij Egypte en verbrak zijn verbond met Nebukadnezar. Dan spreekt de HERE, HERE: “Zowaar Ik leef, de eed bij Mij gezworen, die hij veracht en het verbond in Mijn naam gesloten, dat hij verbroken heeft, zal op zijn hoofd doen neerkomen” (Ezechiël 17:1-21). Van Zedekia wordt dan ook gezegd: “Neem weg die tulband! Zet af die kroon. Zo zal het niet blijven. Verhoog wat laag is, verlaag wat hoog is. Een puinhoop, een puinhoop zal Ik maken” (Ezechiël 21:26,27). Dan volgt wat “duistere” tekst, die op diverse manieren vertaald is: “Maar ook zal het niet blijven” (N.V.) -“Ja, ‘t zal niet zijn” (St.V). – “Ik zal de kroon teniet, teniet, teniet doen) totdat hij komt die haar hebben moet” (Luth.V.) – “Ook dit is de rechte niet” (L.V. – “en het zal niet zijn” (Schofield V.) (Ezechiël 21:27b). Mogelijk is bedoeld, dat de ontstane situatie niet zo zal blijven.

Trouwens Ezechiël kreeg in zijn visioen meer te zien: “Zo zegt de HERE, dan zal Ik Zelf van de top van de hoge ceder een twijgje neme en dat in de grond zetten; van de bovenste van de jonge takjes zal Ik een twijgje plukken en Ik zelf zal dat planten en het zal takken dragen, vrucht voortbrengen en tot een prachtige ceder worden. En allerhande vogels van allerlei gevederte zullen onder hem wonen; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen. Alle bomen des velds zullen weten, dat Ik, de HERE, de hoge boom vernederd en de nederige verhoogd heb, de sappige boom heb doen verdorren en de dorre heb doen uitspruiten. Ik de HERE heb het gesproken en Ik zal het doen”(Ezechiël 17:22-24).

Nu is het wonderlijk, dat in ‘t Hebreeuws voor twijgje, wat God zal plukken, het woord yoneqeth staat. Dit betekent vrouwelijk twijgje (Mnl. = yoneq). Dit yonegeth komt in de Bijbel 6 maal voor. Steeds in de betekenis van uitlopende groeiende twijgjes. Het (mnl.) yoneq komt slechts één maal voor, nl. waar het Jezus betreft: “Want als een loot (yoneq) schoot Hij op voor zijn aangezicht en als een wortel (shores) uit dorre aarde” (Jesaja 53:2). Dit is nu juist wat Jesaja elders beschreef: “Er zal een rijsje (choter) voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut (netser) uit zijn wortelen” (shores) (Jesaja 11:1).

De boom is gekapt: Het koningshuis via Salomo lijkt ten einde. De Zone Davids, onze Here, zal dan ook via de stamboom van Salomo geboren worden, maar via David Natal, Sealtiël, Zurubbabel, Resa en Maria (Lucas 3:5-31). En zo stamt Jozef waarschijnlijk ook af van Nathan maar dan via een andere zoon van Zurubbabel (Abihud). (Mattheüs 1:12-16).

Jeremia en de koningsdochters.

De Bijbel spreekt, zoals we zagen soms in beeldspraak en lijkt dan moeilijk te verstaan. Maar elders vinden we dikwijls de verduidelijking. Laten we zien wat God ons te zeggen heeft via Zijn profeet Jeremia. Let wel: toen God Jeremia riep was het huis Israëls (10 stammen) al 100 jaar in ballingschap in Assyrië, ongeveer 700 km ten noorden van Babel, gescheiden door het enorme bergland van Noord-Iran. Deze Jeremia kreeg van God een wonderlijke opdracht aan ‘t begin van zijn optreden: “Zie, Ik leg Mijn woorden in uw mond; merk op, Ik stel u heden over de volken en de koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten” (Jeremia 1:9-10).

Jeremia heeft het met het overbrengen van Gods boodschap niet gemakkelijk gehad. De onheilspellende woorden gericht aan koning en volk, werden hem niet in dank afgenomen; uitgekreten voor leugenprofeet (Jeremia 28) – overloper (Jeremia 37:11-16) – bespot (Jeremia 20:7) – bedreigt met de dood (Jeremia 11:19; 26:7-12) – gevangen gezet (Jeremia 20:2; 37:11 -11-16; 38:6, 28). Men zou hem met recht “de lijdende” kunnen noemen. Door al zijn onheilsprofetieën is nu de eerste opdracht van God aan Jeremia wel duidelijk geworden (Jeremia 1:10a). Er blijft hem nog één opdracht over: bouwen en planten.

Toen Nebukadnezar Jeruzalem ingenomen had, kreeg de profeet de keuze om mee te gaan naar Babel of in Juda te blijven. Hij koos voor het laatste en waarschuwde de achtergeblevenen niet naar Egypte te vluchten, waar hen de dood zou wachten. Tenslotte werd hij toch gedwongen naar Egypte gevoerd, samen met zijn schrijver Baruch, waarvan Josephus Flavius zei, dat Baruch van een zeer edel geslacht was; zijn vader heette Neri, mogelijk een broer van Sealthiël? (J.Fl.bk.X,hfs 11). Bovendien gingen de dochters van de koning mee (Jeremia 41:10; 43:36). Het gezelschap kwam aan te Tachpanhes (=verborgen vlucht), waar Jeremia grote stenen verbergen moest onder het plaveisel voor de ingang van het paleis van Farao (Jeremia 43:8-13). Vraag: Mochten de prinsessen daar misschien wonen i.v.m. de vroegere band tussen Farao en Zedekia? (Jeremia 37:7).

In ieder geval heeft de beroemde Egyptoloog Flinders Petrie daar grote platte stenen gevonden onder de geplaveide hof van deze ruïnes, die door de Arabieren Qars Bint el Yehudi (= paleis van de Joodse dochter) werden genoemd. Dat de profeet en Baruch in Egypte vermoord zouden zijn, zoals wel eens beweerd wordt, druist in tegen Gods beloften aan Jeremia (Jeremia 15:20-21) en aan Baruch (Jeremia 45:5). Zo kon dus toch via het twijgje (Yoeqeth van de top van de hoge ceder (Ezechiël 17:22) het koningshuis van naar belofte voortgezet worden (2 Kronieken 13:5).

Daar zij nooit terugkwamen in het Beloofde Land, moest deze opvolging plaats vinden buiten het land Israël. Nu had God al lang tevoren bij monde van de profeet Nathan aan David gezegd: “Ik zal een plaats bepalen voor Mijn volk, voor Israël en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, zonder dat het meer opgeschrikt wordt en boosdoeners het onderdrukken zoals vroeger, sedert de tijd dat Ik richters over Mijn volk Israël aangesteld heb” (2 Samuel 7:10-11).

(Nb. de Staten Vertaling is hier niet juist). Daar Israël ten tijde van David in het Beloofde Land woonde en daar nog zeer vele malen opgeschrikt werd, moest deze bestelde plaats wel buiten het land Israël zijn. Denk ook aan de vele profetieën i.v.m. de kustlanden.

Aangehaald werd het zoutverbond met David. Dit is een blijvend verbond. Mogelijk zal men zeggen: Daar staat geschreven” Aan David en zijn zonen. Zo staat het ook o.a. in Jeremia: “het zal David niet ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is” (Jeremia 33:17). En hier gaat het om een dochter! Maar ook nu hield de Here Zich aan Zijn eigen gegeven regels, nl. “Wanneer iemand sterft zonder en zoon te hebben, dan zult gij zijn erfdeel op zijn dochter doen overgeven” (Numeri 27:1-8).

De Ierse Kronieken

De Bijbel zwijgt verder over Jeremia, Baruch en de prinsessen. Maar het is interessant te weten wat oude Ierse Kronieken vertellen. Deze vermelden de aankomst in 586 v.Chr. aldaar van een profeet Olam Fodla (= onthuller van verborgenheden) met zijn knecht Bruch en een Egyptische Prinses Tamar. Deze profeet schaft de beltane (Bel = Baäl, tan = vuur).

Zie hiervoor de dienst voor de koningin des hemels Astarte, echtgenote van Baäl (Jeremia 7:16-18). Als folklore werd dit Keltische gebeuren nog wel gevierd. Deze Olam stichtte volgens die Ierse Kronieken een profetenschool. Hij schaft de 9 wetten van Bel af en zegt dat men de volgende wetten openlijk moet houden: Gij zult niet doden – gij zult niet stelen – gij zult geen vals getuigenis geven – wees barmhartig – behandel de ander zoals je zelf behandelt wilt worden – en zegt tenslotte: zonen van Ierland, eer en respecteer uw vader, bemin, eer en heb teder lief alle dagen van uw leven de moeder, die u baarde. Tot zover een deel van de Ierse Kronieken.

Gods vrouwen

We zagen in ‘t kort de geschiedenis van Davids koningshuis. Maar dan moet er toch op een ander zeer belangrijk punt gewezen worden, nl. op de symboliek van de Bijbel. De profeten hebben daar zeer veel over geschreven, al hebben zij de diepste betekenis er soms niet van doorgrond. Laten we zien: De Bijbel leert ons, dat God Zich een vrouw uitverkoos. Deze vrouw kreeg de naam van haar man nl. Israël (=vorst of strijder met God). En, staat er, Hij had zijn vrouw lief, Hij gaf haar al wat nodig was: “Ik wil van mijn geliefde zingen, het lied van mijn beminde over zijn wijngaard. Mijn geliefde had een wijngaard op een vruchtbare heuvel; Hij spitte hem om, zuiverde hem van stenen, beplantte hem met edele wijnstokken, bouwde daarin een toren en hieuw ook een perskuip daarin uit” (Jesaja 5:1-2; vgl. ook Mattheüs 21:33).

Zo sprak later de profeet Jeremia, na de spitsing in twee rijken, over de twee vrouwen van God, de éne Afkerigheid (Israël – Efraïm) en de andere Trouweloze (Juda). Vanwege haar afgoderij besluit God Afkerigheid te verstoten en haar een scheidbrief te geven: “Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had”(Jeremia 3:8).

Volgens zijn eigen wetten kon God dit doen, maar was dan verplicht die scheidbrief te geven. En nu zij een andere man had genomen (Assur) kon zij nooit meer terug tot haar eerste man. “Wanneer iemand een vrouw gehuwd heeft en vanwege iets onbehoorlijks haar een scheidbrief geschreven heeft en zij de vrouw van een ander geworden is en deze haar ook een scheidbrief gegeven heeft, dan zal de eerste echtgenoot haar niet opnieuw huwen” (verkort Deuteronomium 24:1-4).

Jezus bevestigde deze regel, maar verbond daar twee consequenties aan nl. 1e de man (hier dus God Zelf) mocht niet meer met een ander huwen en 2e wie de weggezondene huwt (dus de heidense volken, die Israël naliep) pleegt ook echtbreuk. “Een ieder die zijn vrouw wegzendt en een ander trouwt, pleegt ook echtbreuk; en wie een vrouw, die door haar man weggezonden is, trouwt, pleegt echtbreuk” (Lucas 16:18). Ook Ezechiël sprak in dergelijke bewoordingen: “Ohola pleegde overspel, terwijl zij mijn vrouw was: Ze hunkerde naar haar minnaars” (Ezechiël 23:5). Zo ook hier is duidelijk, dat na het overspel met Assur, Efraïm de scheidbrief krijgt.

Trouwens, wie van de andere profeten hebben niet steeds gewaarschuwd? Hosea moest het Efraïm wel op zeer vreemde manier aanzeggen: Gehuwd met Gomer (= Efraïm) werd door hun kinderen de opvolgende fasen van Israëls strafaanzegging gesymboliseerd. Bij Jizreël staat: het zal niet lang meer duren; bij Lo-Ruchama: geen ontferming meer; en tenslotte bij Lo-Ammi: niet meer mijn volk, Ik ben de uwe niet meer (vgl. de scheidbrief) (Hosea 1:2-9).

“Het begin van het spreken des Heren door Hosea. De Here zeide tot Hosea: Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de Here af. Toen ging hij heen en huwde Gomer, de dochter van Diblaim, en zij werd zwanger en baarde hem een zoon. De Here zeide tot hem: Noem hem Jizreel, want het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreel bezoeken aan Jehu’s huis, en een einde maken aan het koninkrijk van het huis Israëls. Te dien dage zal het geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal in het dal van Jizreel. Zij werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou. Doch over het huis van Juda zal Ik mij ontfermen, en hen verlossen als de Here, hun God. Maar Ik zal hen niet verlossen door boog of zwaard of oorlogstuig, door paarden of door ruiters. Nadat zij Lo-ruchama gespeend had, werd zij zwanger en baarde een zoon. Toen zeide Hij: Noem hem Lo-ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn.

Het zijn tenslotte de inzettingen van de grote, maar goddeloze Omri die hen ten val brachten. Omri, de in zijn tijd machtige koning, die op een kale berg de nieuwe hoofdstad Samaria bouwde, met vele andere vestingwerken. Hij, die een nieuwe grondwet invoerde en over wie Assyrië 100 jaar later nog sprak als over het huis Omri (Cumry). Gods woord besteedde aan deze beroemde figuur slechts enkele teksten “Omri deed wat kwaad is in de ogen des Heren” (1 Koningen 16:21-28; vgl. Micha 6:16). In die tijd verloor Israël ook zijn erenaam; nl. strijder met God. Israël werd Izaäk. Zo kwamen ook deze woorden van god in vervulling “Want door Izaäk zal men van uw nageslacht spreken” (Genesis 21:12). Zo noemen de Meden later het volk Sacasuna (zonen van Saka). En op de rots van Behustan staat, tot op de dag van heden, gebeiteld: Huis van Khumri = Omri. En zo hadden dus ook de profeten het 10-stammenrijk failliet verklaart. Over en uit! Dacht u dat werkelijk?

Herstel van het huwelijk

Wat lezen we in Jeremia (u weet nog wel, de profeet die moest uitrukken en afbreken, maar…ook moest bouwen en planten): “De brandende toorn des Heren zal zich niet afwenden, totdat Hij zijn plannen van zijn hart volvoerd en verwerkelijkt heeft; in het laatst der dagen zult gij dat inzien. Te dien tijde, luidt het woord des Heren zal Ik voor alle geslachte van Israël tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Zo zegt de Heer: Het volk der ontkomende aan het zwaard vond genade in de woestijn, Israël, op weg naar zijn rust. Van verre is de Here mij verschenen: Ja, Ik heb u liefgehad een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid. Wederopbouwen zal Ik u…Gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria en wie ze planten zullen ook de vrucht genieten… Want Ik ben Israël tot een Vader en Efraïm dat is mijn eerstgeborene. Hoort het woord des Heren, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt…Ik heb werkelijk Efraïm horen klagen…Is Efraïm mij een lievelingszoon, een troetelkind” (Jeremia 30:24 tot Jeremia 31:22).

In dit schriftgedeelte ging het ook over Juda, maar dit nu even terzijde. We lezen verder: “Zie de dagen komen luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten”. (En verder): “Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen” (Jeremia 31:31,33) En verder: “Zo zegt de Here, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts…Als deze verordeningen voor mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord des Heren, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden al de dagen een volk te zijn voor mijn ogen. Zo zegt de Here: Als de hemel boven te meten is en de fundamenten der aarde beneden na te speuren zijn, dan zal Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen om al hetgeen zij gedaan hebben, luidt het woord des Heren” (Jeremia 31:31-37).

Het is Hosea, die met andere woorden hetzelfde mag verkondigen: Efraïm moet het land uit: “Daarom, zie Ik zal haar lokken en haar leiden in de woestijn en spreken tot haar hart. Ik zal haar aldaar (buiten het land Israël) haar wijngaarden geven, en het dal Achor (waar Achan gestenigd werd) maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage dat zij trok uit het land Egypte. En het zal te dien dage geschieden (als zij in de woestijn is). luidt het woord des Heren, dat gij Mij noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Baäl. Ja, Ik zal de namen der Baäls verwijderen uit haar mond; hun naam zal niet meer genoemd worden. Te dien dage zal Ik voor hen een verbond sluiten…en hen veilig doen wonen. Ik zal Mij u tot bruid werven voor eeuwig (nog niet tot vrouw); Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de Here kennen. Het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, luidt het woord des Heren: Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren, en de aarde zal het koren, de most en de olie verhoren, en die zullen Jizreël (Efraïm) verhoren. Dan zal Ik Mij voor haar zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-Ruchama en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt Mijn volk. En hij zal zeggen mijn God”(Hosea 2:13-22).

En verder schreef Hosea: “Hoe zal Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël…Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt Mijn erbarming opgewekt. Ik zal Mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal Efraïm niet verder verderven. Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden” (Hosea 11:8. ). “Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn keert zich af van hen af” (en verder) “Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te doen? Ik verhoor hem en zie hem aan. Ik ben als een altijd groene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken. Wie wijs is, geve op deze dingen acht” (Hosea 14:5-9).

Nog een andere profeet, Zacharia, sprak over de toekomst van Juda en Israël: “Zo zal Ik het huis van Juda sterken en het huis van Jozef verlossen: Ja, ik zal hen terugbrengen, omdat Ik Mij over hen ontferm en zij zullen worden alsof Ik hen niet verworpen had. Want Ik ben de Here, hun God en Ik zal heb verhoren” (en verder): “Wel zaai Ik hen onder de volken, maar in verre streken zullen zij aan Mij denken; zo zullen zij leven met hun kinderen, en terugkeren” (Zacharia 10:6-12).

Herstel op wettige wijze

Op deze wijze mochten en moeten de profeten schrijven over het grote plan van God. Er blijft echter nog één zwaarwichtige vraag over: Gods liefde is dan wel eindeloos en voor ons onvatbaar, maar als Hij zo zal handelen met Efraïm, dan zou God zijn eigen wet overtreden: De scheidbrief stond in de weg! Maar hoe ondoorgrondelijk zijn wegen: “Zo zegt de Here: Waar is toch de scheidbrief uwer moeder, waarmee Ik haar verstoten heb” (Jesaja 50:1). Het antwoord mocht de apostel Johannes geven: “Want alzo lief heeft God de Israël-wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebben” (Johannes 3:16).

God kwam zelf in Zijn Zoon Jezus: Hij gaf zijn leven: de Man stierf! En, o wonder van Gods ondoorgrondelijke wijsheid en voorzienigheid: de vrouw is weer vrij. Stond er niet geschreven: “Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond” (Romeinen 7:2).

Zo kon ook volgens Deuteronomium een vrouw met een scheidbrief weer opnieuw huwen, maar niet terugkeren naar haar eerste man, zolang deze uiteraard leefde. De mogelijkheid was nu voor geheel Israël weer open om opnieuw tot bruid te worden geworven. En al is er dan pas bruiloftsfeest bij zijn wederkomst, de ban is gebroken: “God wil weer spreken tot haar hart”. (Opmerking: Het zal wel duidelijk zijn dat Efraïm niet, zoals beweerd wordt, na de ballingschap in Babel met Juda terugkeerde. Zij zouden dan, ondanks de scheidbrief weer Gods vrouw geworden zijn, wat door Gods eigen wet niet mogelijk was! Denk bovendien nog aan de twee houten die weer tot één geheel werden, maar pas na het verraad door Judas de staf verbroken werd).

Jeremia schreef het volgende: “Een opgejaagd schaap is Israël, dat leeuwen hebben opgedreven; eerst heeft de koning Assyrië het verslonden en nu ten laatste heeft Nebukadnezar, de koning van Babel het de beenderen afgeknaagd. Daarom, zo zegt de Here der Heerscharen, de God van Israël: Zie Ik doe bezoeking aan de koning van Babel en aan zijn land, zoals Ik aan de koning van Assyrië bezoeking gedaan heb, en Ik breng Israël terug naar zijn weide, opdat het Karmel en Basan afweide en op het gebergte van Efraïm en in Gilead zich verzadige. In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren zal de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar zij is er niet en de zonden van Juda, maar zij zijn niet te vinden; want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven” (Jeremia 50:17-20).

En na alle onheilsprofetieën mag Amos namens God zeggen: “Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond, die Ik hun gegeven heb” (Amos 9:15).

Hoewel Juda zeker ook bij de terugkeer tot God en het land Israël betrokken zijn zal, is het voor hen als volk, niet als individu, een langere weg, zoals Zacharia beschreven heeft: “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem (enz) uitgieten de geest der genade en der gebeden; zij zullen Hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben” (Zacharia 12:10-14).

Ja, na de opstanding van Jezus, mag Efraïm, al is zij nog in de woestijn der volken, in de kustlanden, uitbreken in gejubel. Jesaja zei het zo: “Jubel, gij vruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame (de met de scheidbrief verstotene) zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde (Juda)”, zegt de Here. “Maak de plaats voor uw tent wijd en men spanne de klederen uwer woning uit, wees er niet karig mee, maak uw touwen lang en sla uw pinnen vast. Want naar rechts en links zult gij uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen en de verwoeste steden bevolken“(Jesaja. 54:1-3). Tot zover enige bijbelgedeelte over Efraïm, het 10-stammenrijk.

De geschiedenis van Juda

Laten wij nu zien wat de Bijbel ons te zeggen heeft over Juda, het Tweestammenrijk. Er is al opgemerkt, dat zij bevoorrecht waren. Zij hadden het originele koningshuis en de tempel met de daarbij behorende eredienst. Hier te Jeruzalem woonde God. En Jerobeam, de eerste koning van Efraïm had heel goed begrepen, dat hij juist om die reden wel eens aan het kortste eind zou kunnen trekken. Jerobeam zei bij zichzelf: “Nu zal het koningschap tot het huis van David terugkeren. Indien dit volk optrekt om slachtoffers te brengen in de tempel des HEREN te Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda” (1 Koningen 12:26-27).

Maar wat dat aangaat had Jerobeam zich niet zoveel zorgen hoeven te maken. Want nu Juda het enige volk ter wereld was met Jahweh als God, voelde men zich wereldvreemd: wat overigens Gods bedoeling was met Israël vanaf het begin. Had God niet gezegd: “Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig (=apart gezet) volk!” Het liep er echter op uit, zoals de Psalmdichter schreef: “Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, Israël was onwillig tegen Mij” (Psalm 81:12). Toen Juda, ondanks de waarschuwingen van God en het zien van de straf aan Efraïm (wegvoering, scheidbrief), toch doorging met afgoderij en nog erger (Ezechiël 3:11), kwam ook voor haar het einde. Werd het Assyrië voor Efraïm, Juda ging naar Babel. Maar, hoe verdiend zij het ook hadden: voor haar geen scheidbrief. Zij kreeg de drinkbeker van haar zuster Ohola.

En, o wonder: Zij bleef Gods vrouw. Hoe groot is nog Gods liefde voor Juda: “Op, redt u naar Sion, gij die woont bij de dochter van Babel,….want wie u aanraakt, raakt zijn oogappel aan….want zie, Ik kom in uw midden wonen en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal in uw midden wonen….En Hij zal Jeruzalem verkiezen. Zwijg, al wat leeft voor het aangezicht des HEREN, want Hij maakt Zich op uit Zijn heilige woning”. (verkort Zacharia. 2:6-13).

Zo mocht na de terugkeer uit Babel de tempel weer herbouwd worden en de eredienst hervat. Ja, men werd zelfs vroom: Zo vroom, dat men Gods wetten niet voldoende vond en er enkele honderden bijmaakte (Mattheüs 15:1-9). Zoals gezegd: Hoe onverdiend was deze terugkeer!

Maar de HERE God had tevoren Zijn plan gemaakt en dit zelfs door Zijn profeten al laten verkondigen. Stond er niet geschreven: “En gij Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen, die een heerser zal zijn over Israël” (Micha 5:1).

Uit Bethlehem, de stad Davids. Het zou een Kind zijn van God en zijn gehuwde vrouw Juda. Daarom moest Juda de vrouw van God blijven: een kind van een gescheiden vrouw zou immers overspel geweest zijn: “De eerste echtgenoot die haar weggezonden heeft, zal haar niet opnieuw tot vrouw mogen nemen” (Deuteronomium 24:4). Wat een voorrecht behield Juda: rechtstreekse verkondiging van de blijde boodschap, genezing van zieken door de Here Zelf, dat moest toch uitlopen op: Hosanna in de hoogste hemelen, gezegend Hij die komt in de naam des Heren; Hosanna in de hoogste hemelen (Mattheüs 21:19). Helaas, zo werd het niet. Had men de profetie over de koning maar gelezen: “Jubel luide, gij dochter van Sion. Juich gij dochter van Jeruzalem! (=Juda). Zie uw Koning komt tot u, Hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig en rijdende op een ezel….Dan zal Ik de wagens uit Efraïm (!!) en de paarden uit Jeruzalem teniet doen, ook de strijdboog wordt tenietgedaan; en Hij zal de volken vrede verkondigen en Zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee en van de Rivier tot de einden der aarde” (Zacharia 9:9-10).

Maar zoals men weet, zo ging het niet, nog niet; Juda aanvaardde zijn Koning niet, het werd: “Weg met Hem, kruisig Hem, wij hebben geen koning dan de keizer” (Johannes 19:15). Zo ging onze Here Jezus naar Golgotha tot verlossing van Zijn volk. (Mattheüs 1:21).

De verzoekingen waren vele geweest: Satan bood Jezus zijn macht en heerschappij aan in de woestijn (Lucas 4:6) – in de hof werd het bijna te veel: “Vader, neem deze drinkbeker weg, indien Gij wilt” (Lucas 22:42) en aan het kruis hangend lasterden de voorbijgangers: “Gij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red uzelf, indien Gij Gods Zoon zijt en kom af van het kruis”(Mattheüs 27:40). Toch was er in de verzoekingen wel verschil: Satan was zich ten volle bewust, maar voor de spottende menigte bij het kruis bad Jezus in Zijn liefde voor het volk: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. Hoe moesten deze dingen vervuld worden, deze door Kajafas onbegrepen woorden: “Het is nuttig dat één mens sterft ten behoeve van het volk!”(Johannes 18:14). Hoe is bij deze verzoekingen de wereld langs de afgrond gegaan. Hoe stond hier Gods machtwoord op het spel: “Dit zaad zal u de kop vermorzelen” (Genesis 3:15). De laatste, die Gods bedoeling mocht horen, zij het volmaakt onbegrepen, was Pilatus, toen Jezus tegen hem zei: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld(orde)” (Johannes 18:36).

Juda weduwe

Zo werd Gods overgebleven vrouw Juda een weduwe. Hoe droef, dat zij nog steeds dit weduwschap niet heeft willen inzien. En hoe lang zal het duren, voordat zij tot die erkenning als volk zal komen en het woord van Zacharia bewaarheid wordt: “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen Hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben en over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja zij zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn….en zo voor alle geslachten van het huis Juda: Nathan (Juda), Levi en Simeon Benjamin” Zacharia 12:10-14).

Wat een tragedie: Efraïm een scheidbrief, Juda de weduwe. Efraïm, de eerstgeborene, heeft zijn rijksgebied verloren, wonend in de kustlanden, met naar de belofte één die zit op de (aardse) troon van David, voortgekomen uit een koningsdochter van Davids huis. En Juda, voor een deel wonend in het rijksgebied, maar zonder koning uit Davids huis. Het kan wonderlijk gaan: Wie kan Gods wijze raad doorgronden?

Jezus zelf heeft ons Gods weg met Israël nog eens willen duidelijk maken, die weg, die de profeten al vele malen en op vele tijden hadden verkondigd: “Wat dunkt u? Iemand had twee kinderen. Hij ging naar de eerste en zeide: Kind, ga en werk vandaag in de wijngaard. En hij antwoordde en zeide: Ja Heer, maar hij ging niet. Hij ging naar de tweede en sprak evenzo. En deze antwoordde: Ik wil niet, maar later kreeg hij berouw en ging toch.” Zo had de laatste (Efraïm) de wil van de Vader gedaan” (Mattheüs 21:28-31). En elders: “Iemand had twee zonen. De jongste zei tot de Vader: Vader, geef mij het deel van mijn vermogen….maar hij (Efraïm) ging naar een ver land en verkwistte het (zijn geestelijke bezittingen). De oudste (Juda) bleef en diende zijn Vader (overigens niet meer dan zijn plicht). Toen de jongste zich bekerde (het christendom aannam), kon hij maar één ding zeggen: “Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten!” Maar de Vader zei: “Laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden”.

De oudste (Juda) daarentegen was in zijn afgunst niet meer bereid zijn broer te erkennen (“die zoon van ù”). Hij was toch de rechthebbende! (Lucas 15:11-32).

Intussen had zich een drama voltrokken, beschreven door Zacharia: “En Ik heb tot hen gezegd: indien het goed is in uw ogen (van Juda) geef mijn loon, maar indien niet, laat het. Toen wogen zij af mijn loon: dertig zilverstukken. Maar de HERE zeide tot mij: Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop Ik hunnerzijds geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis des HEREN de pottenbakker toegeworpen. Daarop heb ik mijn tweede staf, Samenbinding, verbroken, tenietdoende de broederschap tussen Juda en Israël” (Zacharia 11:12-14).

Dit wilde niet meer of minder zeggen dat er een breuk ontstond tussen Juda en het dus nog bestaande Efraïm. Juda verkocht zo haar Koning, letterlijk voor de prijs van een slaaf. En zij beseften niet, wat zij over zich riepen: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”, Zo willen zij met hun wetten nog steeds het doel bereiken, wat toen reeds bereikt werd. En Efraïm, ver weg wonend in de eilanden en kustlanden, onwetend van Golgotha, zij zouden het grote nieuws mogen horen: De Heer is waarlijk opgestaan!

Joden en Grieken

Tijdens Jezus omwandeling op aarde was Efraïm nog niet (geheel) in de kustlanden aangekomen. Israël was in die tijd (tenminste voor een deel) in klein-Azië en Griekenland. Er is zelfs nog een briefwisseling bekend tussen Joden en ‘Grieken’ (ca 120 v.Chr.):

Brief 1: Jonathan, de Joodse Hogepriester en de raad en het Joodse volk…etc….aan het volk van Lacedemonië (=Laconië, hoofdstad Sparta), onze broeders, groetenis…dat hij gewag maakt van de verwantschap tussen ons….hoewel die vermaagschapping ons niet onbekend was (Flav.Jos. Boek XIII Hfdst 9).

Brief 2: Areüs, koning van Lacedemonië aan Onias, hogepriester der Joden, heil! Ons is uit zekere Schrift gebleken dat de Joden en de Lacedemoniërs één en dezelfde oorsprong hebben en beiden van Abraham zijn afgedaald. (Flav.Jos. Boek XII, Hfdst 5).

Deze twee brieven worden ook genoemd in het boek van de Makkabeeën:

Brief 1:Jonathan de hogepriester….etc….wensen de Spartiaten, hun broeders, voorspoed. In deze brief wordt gezegd dat zij heilige boeken in bezit hebben. (1 Maccabeeën 12:6-15).

Brief 2: Areüs, koning der Spartiaten (Spartanen = Lacedemoniërs) wenst hogepriester Onias voorspoed. Daar is in de Geschriften gevonden aangaande de Spartiaten en Joden, dat zij broeders zijn en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham. (1 Maccabeeën 12:20-21).

Bovendien vinden we nog een opmerkelijk verhaal in het apocriefe boek 4 Ezra. Dit is waarschijnlijk geschreven door een bekeerde Jood, omstreeks 100 jaar na Chr. De schrijver spreekt hier over een vreedzame menigte, die hij in een droom gezien heeft. Hij gaat dan verder en zegt: “Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van Hosea, die Salmanassar gevankelijk weggevoerd heeft”. Hij zegt, dat zij Assur verlieten en door de enge ingangen van de Eufraat togen en in zijn tijd wonen in de landstreek Arsareth (bij de huidige rivier Sereth, een zijrivier van de Donau. Opm. Deze rivier, ook wel Siret genoemd, stroomt bij Galati (!!) in de Donau (denk aan Galaten). (4 Ezra 13).

De Verloren Schapen van het Huis Israëls

Laten we weer teruggaan naar de Bijbel. Op zeker moment gebood Jezus zijn discipelen: “Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” (Mattheüs 10:5-7). En enige tijd later zei Hij: “Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls” (Mattheüs 15:24). Hoewel in deze teksten wel hoofdzakelijk de dorpen en steden in het land zelf bedoeld zullen zijn, is het toch opvallend, dat de Joden onmiddellijk aan de Griekse verstrooiing dachten, toen Jezus opmerkte: “Gij zult Mij zoeken en niet vinden en waar Ik ben, kunt gij niet komen” (Johannes. 7:35). Waarom dachten zij bijv. niet aan Egypte. In die tijd woonden er alleen al in Alexandrië (Egypte) ongeveer 100.000 Joden. De laatste opdracht die Jezus aan Zijn discipelen gaf, voor Zijn hemelvaart, was: “Gij zult Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde”.Dat was in die tijd de grens van het Romeinse Rijk (Lucas 2:1, de gehele oikumené).

We mogen aannemen dat de discipelen zich getrouw aan deze opdracht van Jezus gehouden hebben en daarbij de verloren schapen van Israël niet vergeten hebben. Waar de discipelen heengegaan zijn, wordt ons in de Bijbel niet erg duidelijk. Gezien de opdracht van Jezus zullen zij in het buitenland de vele Joodse synagogen bezocht hebben (o.a. Babel en Alexandrië) en tevens, voor zover bekend, de verloren stammen van Efraïm (o.a. Griekenland). Andreas schijnt in Achaje (Griekenland) en Klein-Azië geweest te zijn. Zo Jakobus in Judea, Jakobus de Jongere in Palestina en Egypte. Hij was waarschijnlijk de schrijver van de brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing, Judas ging mogelijk naar Assyrië en Perzië, Filippus naar Frygië, Petrus mogelijk, maar niet zeker, naar Rome, Thomas schijnt bij de Parten en in India geweest te zijn. Paulus, de enige heidenapostel, niet één van de twaalf, reisde diverse malen naar Klein-Azië en was te Rome en Spanje. Dan zijn er nog vele uitspraken van diverse kerkvaders.

Bij voorbeeld Theodorus de Gezegende, bisschop van Cyprus: “Paulus predikte, na zijn eerste gevangenschap te Rome, het evangelie aan de Britten”. St. Hilarus van Poitiers: “De apostelen bouwden overal Godshuizen, tot zelfs in de eilanden van de Oceaan”. Gildas Albanicus: “De leer van Christus werd in de Britse eilanden gebracht in het jaar 37 A.D”. William van Malmsbury: “Philippus zond 12 missionarissen van Frankrijk naar Brittannië onder leiding van Jozef van Arimathea”. Eusebius, bisschop van Caesarea: “De apostelen staken de oceaan over om naar de Britse eilanden te gaan.” Dorotheüs, bisschop van Tyrus: “Simon Zelotes werd in Brittannië gekruisigd en begraven”. Kardinaal Baronius, bibliothecaris en kerkhistoricus: “Jozef van Arimathea ging in het jaar 35 A.D. met zijn reisgezellen via Marseille naar Brittannië, predikte het Evangelie en stierf aldaar”. Zo zijn er nog meer getuigen.

Alles overziende kunnen we zeggen: De opdracht van onze Here Jezus is uitgevoerd. Van Paulus, de ‘Verlorenschapen-apostel’, weten we dat hij op zijn reizen eerst de synagogen bezocht en daarna de Verlorenschapen van het Huis van Israël die tot heiden geworden waren. Opvallend is dat hij voornamelijk naar Klein-Azië en Griekenland ging. Als we nu de geschriften van de kerkvaders en de andere tradities buiten beschouwing laten, vinden we dat bij de verkondiging van het Evangelie practisch alleen over Joden en Grieken gesproken wordt. Alleen bij Paulus horen we dat hij zich ook tot de verheidenste Israëlieten richtte, zonder specifiek de volksnamen te noemen. En slechts éénmaal komen we de barbaren en de Scythen tegen (Kolossenzen 3:11). Terzijde: Iedere niet-Israëliet werd heiden genoemd en ieder die buiten de Griekse beschaving stond heette barbaar, ook al hadden zij een ‘hoge’ beschaving.

Overigens wat Paulus betreft: In de Romeinenbrief richtte hij zich tot de ‘heidenen’, zoals vertaald is. Maar in alle gevallen waarin hij van ‘heidenen’ spreekt, staat in de grondtekst ‘volkeren’ (ethnos). En let wel, dat naar Gods belofte Abraham zou worden tot een menigte van volkeren (Genesis 17:5). En daar we weten, dat Efraïm vervallen was tot heidendom, zou Paulus met volkeren ook bedoeld kunnen hebben de verheidenste Tien Stammen op trektocht naar de ‘bestemde plaats’, dat wil zeggen de kustlanden en eilanden. Als Paulus zich richt tot Grieken en niet-Grieken is maar de vraag wie die Grieken waren: “van Grieken en niet-Grieken ben ik een schuldenaar” (Romeinen 1:14).

Zoals gezegd, de Joden dachten toch ook al dat Jezus naar de Grieken ging. In de briefwisseling tussen Onias en de Spartiaten gaat het ook over Grieken, die nakomelingen van Abraham zijn. Paulus schrijft: Het evangelie is voor de Jood en de Griek (Romeinen 1:16). Hij vergeet dan wel heel wat andere volken! Zou de geleerde Paulus echt niet geweten hebben van de tien stammen? En zich alleen richten tot Juda en heidenen (volkeren = ethnos) die de wet niet hebben? Maar let wel: ook de tien stammen hadden al bijna 800 jaar de wet niet meer; die was immers vervangen door de inzettingen van koning Omri! (Micha 6:16). En om nog iets te noemen: Hoewel het heil uit de Judeërs (uit Juda) was, namelijk Jezus, de Messias, was toch het Koninkrijk (koningschap) van hen genomen en daar het niet mogelijk is dat Gods woord zou vervallen (Romeinen 9:6), blijft staan Gods woord: “Ik zal Niet-Mijn-Volk (Lo-Ammi) noemen Mijn-Volk en de niet-geliefde: geliefde”.

Dit is Efraïm, een volk. Onbegrijpelijk dat men ‘ethnos’ steeds maar weer vertaald heeft met ‘heidenen’ en zodoende aan de gemeente ging denken. Maar nogmaals, er staat duidelijk ‘volken’. Verder gaat Paulus’ aanhaling uit Hosea: “En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd wordt: gij zijt Mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God”.(Romeinen 9:25-26).

Toen Paulus op één van zijn zendingsreizen door Galatië, Frygië en Mysië (Asia) trok, wilde hij daarna naar het noorden (Bithynië), maar in een droom werd hem gezegd naar Macedonië (Griekenland) te gaan (Handelingen 16:6-10).

Vandaar ging hij naar Achaje, maar dat was nu net in Lacedemonië (Laconië) – denk aan de briefwisseling met hogepriester Onias. Paulus kwam daar later meerdere malen (Handelingen 18:12, 27; 19:21; Romeinen 15:26; 2 Korintiërs 9:2; 11:10).

Ook Andreas is in Achaje geweest. Het is trouwens toch wonderlijk dat in de Bijbel geen enkele apostel genoemd wordt, die het evangelie naar een ander land bracht: niet naar Arabië, Babel, Egypte, Libië, Perzië, Spanje, Syrië of zelfs Italië.

Teksten over de Grieken

Hier volgen nog enige teksten in verband met Grieken: Een grote menigte zowel van Joden als van Grieken kwam te Iconium tot geloof (Handelingen 14:1). Idem te Berea (Handelingen 17:12). Paulus probeerde te Korinthe Joden en Grieken te overtuigen (Handelingen 18:4). Allen die in Asia woonden, hoorden het woord des Heren, Joden zowel als Grieken (Handelingen 19:10). Van Grieken en niet-Grieken ben ik een schuldenaar (Romeinen 1:14). Behoud is eerst voor de Judeër, maar ook voor de Griek (Romeinen 1:16). Verdrukking, heerlijkheid, eer en vrede zal komen over eerst de Jood, maar ook de Griek (Romeinen 2:9-11). Er is geen onderscheid tussen Judeër en Griek (n.b. in Rome!) (Romeinen 10:12). Voor hen die geroepen zijn, zowel Judeërs als Grieken (1 Korintiërs 1:24). Geef noch aan Judeërs, noch aan Grieken, noch aan de gemeente aanstoot (1 Korintiërs 10:32). Door de doop is er geen sprake van Jood of Griek (Grieken zijn hier Galaten, onbesnedenen) (Galaten 3:28; 2:7).

Opmerkelijk is ook, dat Jezus zegt: “Nog andere schapen (typisch woord voor Israël) heb Ik, die niet van deze stal zijn”. Het Grieks voor ‘andere’ schapen is ‘allos’, dat wil zeggen nog meer van dezelfde soort en niet ‘heteros’, want dat betekent van een andere soort.

Joden en heidenen

Bezien we de eerste brief van Petrus: Hij schrijft aan de uitverkorenen van de vreemdelingen der verstrooiing (grondtekst). Hiermee bedoelde Petrus niet Joden; deze waren toen nog niet in de verstrooiing (vgl Johannes 7:35). Als in het Nieuwe Testament Joden bedoeld worden, staat er ook altijd ‘Jood’ en geen ‘vreemdeling’. Zo staat in Handelingen nooit het woord ‘vreemdeling’, maar wel veertig keer ‘Jood’. Het konden dus bekeerde heidenen zijn. Maar als we verder lezen, staat er “door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden”.

Dat doet ons denken aan de dorre doodsbeenderen (geestelijke opstanding van het huis Israëls (Ezechiël 37). Ook wat Petrus verder schreef toont aan dat het niet om heidenen gaat. De profeten hebben juist dikwijls, over tijd en afstand heen, geschreven over de toekomstige herleving en zaligheid van hun eigen volk, de verloren stammen (1 Petrus 1:1-10). Zo spreekt bij voorbeeld Jesaja ook over het heil voor alle volkeren (Jesaja 2:1-5; 19:19).

Maar bij de profeten in het algemeen kwamen de heidenen er niet zo goed vanaf. Het zoeken en vorsen van de profeten ging niet uit naar de bekering van heidenen, maar naar het verloren huis van Israël. Van diè herleving begrepen ze juist niets! (Jesaja 41:8; 44:1-5; 49:4-6; 54:6-8; 65:8-9; Jeremia 16:14-16; Jeremia 31; Ezechiël 20:33-44; 36:22-32; Ezechiël 37; Hosea 1; 2; enz).

De profeten zullen deze profetieën aangaande Israël zeker niet verstaan hebben en er beslist over hebben nagedacht. Ook als we lezen in 1 Petrus: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, een niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”. (1 Petrus 2:9-10; vgl Exodus 19:6 en Hosea 1:10-11). Een duidelijke belofte aan Efraïm!

Ten slotte nog iets over wat Jakobus schreef: “Groet de twaalf stammen in de verstrooiing” (Jakobus 1:1). Ook dit is duidelijke taal. Wie geeft het recht dit op anderen te doen slaan? Bovendien spreekt hij over ‘onze’ vader Abraham (Jakobus 2:21). En als hij later spreekt over Rachab, de hoer, is het maar de vraag of pas bekeerde heidenen opeens zo goed op de hoogte waren van een detail uit Israëls geschiedenis. Ook waren het geen Joden, want deze waren afkomstig van de twee stammen (Jakobus 2:25). Resumerend mogen we stellen dat in het algemeen het evangelie gebracht werd in de eerste plaats aan de Joden in de synagogen en daarna vooraleerst aan het overige Israël, waarbij ook de niet-Israël heidenen; dit alles gezien tegen:

1. De opdracht van Jezus (eerst naar de verloren schapen van het huis Israël);

2. De opmerking van de Joden, dat Jezus naar de Griekse verstrooiing zou gaan;

3. Zending aan ‘alleen ‘ Grieken, zie hiervoorgenoemde aanhalingen;

4. De briefwisseling tussen hogepriester Onias en de Spartiaten;

5. De brief van Jakobus aan de twaalf stammen;

6. De brief van Petrus aan de vreemdelingen van de verstrooiing;

7. De beschrijving van 4 Ezra over de tien stammen bij de rivier de Sareth;

8. De zeer veel profetieën aangaande de toekomst van Juda en Israël;

9. De geschriften van vele kerkvaders;

10. De Ierse kronieken en vele andere hier niet genoemde ge gegevens.

Belangrijke profetieën over Israël

Inderdaad zal God zijn woorden, gesproken door de profeet Hosea waar maken: “Daarom, zie Ik zal haar lokken en haar leiden in de woestijn en spreken tot haar hart. Ik zal haar aldaar wijngaarden geven en het dal Achor maken tot een deur der hoop” (Hosea 2:12-13). Inderdaad: “Hij heeft Zich Israël, zijn knecht, aangetrokken, om te gedenken aan barmhartigheid – gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen – voor Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheid” (Lucas 1:54-55; zie ook Lucas 1:72-73). Al werd hier zeker ook en in de eerste plaats de verlossing uit de macht van Satan bedoeld, God zou zijn volk nooit vergeten.

Luister nog eens naar wat de profeten ons mogen zeggen: “Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt, breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame (Efraïm) zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde (Juda), zegt de HERE…. want naar rechts en links zult gij uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen (dit is dus niet Juda, maar Efraïm). Ja, gij zult de schande van uw jeugd (Efraïm) vergeten en aan de smaad van uw weduwschap (Juda) niet meer denken. Want uw Man is uw Maker, HERE der Heerscharen is zijn naam; en uw Losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlatene en diepbedroefde vrouw heeft de HERE u geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God. Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen” (Jesaja 54:1-7). en verder: “Om Sions wil zal Ik niet zwijgen, om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat zijn heil opgaat als een lichtglans en zijn verlossing als een brandende fakkel. Volken zullen uw heil zien, alle koningen uw heerlijkheid en men zal u noemen met een nieuwe naam, die de mond des HEREN zal bepalen; gij zult een sierlijke kroon in de Handelingen des HEREN zijn, een koninklijke tulband in de Handelingen van uw God. Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij” (Jesaja 62:1-4).

En Jeremia zei: “Keer weder, afkerige kinderen, luidt het woord des HEREN, want Ik ben Heer over u. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht en u brengen te Sion en Ik zal u herders naar mijn hart geven en die zullen u weiden met kennis en verstand…..Te dien tijde zal men Jeruzalem noemen de troon des HEREN en alle volken zullen zich daarheen verzamelen om de naam des HEREN te Jeruzalem……In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb” Jeremia 3:14-18).

Elders schreef Jeremia: “Hoort het woord des HEREN, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, Die Israël verstrooide, zal het verzamelen en behoeden als een herder zijn kudde. Want de HERE maakt Jakob vrij en verlost hem uit de macht van die, die sterker is dan hij” (Jeremia. 31:10-11). En verder: “Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb, (Mozaïsch verbond) ten dage dat Ik hen bij de Handelingen nam, om hen uit het land Egypte te leiden, mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn” (Jeremia. 31:31-33).

Zo ook Ezechiël: “En gij, huis Israëls, zo zegt de Here HERE, welaan, laat ieder zijn afgoden maar dienen! Doch later, dan zult gij luisteren en mijn heilige naam niet meer ontheiligen met uw offergaven en afgoden. Want op mijn heilige berg, op de hoge berg Israëls, luidt het woord van de Here HERE, daar zal het ganse huis Israëls in zijn geheel Mij in het land dienen…. Als een liefelijke reuk zal Ik behagen in u hebben, wanneer Ik u voer uit het midden der volken…”(Ezechiël 20:39-44).

“Want zo zegt de Here HERE: Zie Ik zal zelf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien …..en ze redden uit alle plaatsen, waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis. Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeen vergaderen en ze naar hun eigen land brengen” (Ezechiël 34:11-13).

“De hand des HEREN kwam op mij en de HERE voerde mij in de geest naar buiten en zette mij neer in een dal, dat dal was vol beenderen. Hij deed mij daar aan alle kanten omheen lopen en zie, zij lagen in grote menigte door het dal verspreid en zie zij waren zeer dor. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven? Rn ik zeide: Here HERE, gij weet het…..Daarop zei Hij tot Mij: Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: zo zegt de Here HERE: kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven….Voorts zei Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israëls. Zie zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. Daarom profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here HERE: zie Ik open uw graven en Ik zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk en u brengen naar het land Israëls,…..” (Ezechiël 37:1-14).

“Het woord des HEREN kwam tot mij: Gij mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten die daarbij horen; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef – het stuk hout van Efraïm – en het gehele huis Israëls dat daarbij behoort; voeg ze dan aan elkaar tot één stuk hout, zodat zij in uw Handelingen tot één worden”.

(Let wel, dat het verbreken van de samenbinding plaats vond bij het verraad van Judas, dus de éénwording zal daarna gebeuren!). “Zo zegt de Here HERE: zie Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeen verzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken….Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen tot in eeuwigheid en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn…..En de volken zullen weten, dat Ik de HERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig temidden van hen staat”. (Dit eeuwig zal zijn in het vrederijk op aarde). (Ezechiël 37:15-22; vgl. Zacharia 11:14).

Ook Hosea laat zich niet misverstaan: “Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te tellen of te meten is. En ter plaatse, waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet – zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God. Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich bijeen scharen, één hoofd over zich stellen en optrekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreël zijn” (Hosea 1:10-11).

“Het woord van de HERE der heerscharen geschiedde aldus: Zo zegt de HERE der heerscharen: Ik ben voor Sion in grote ijver ontbrand; in gloeiende ijver ben Ik ervoor ontbrand” (Zacharia. 8:1-2).

“Zo zal Ik het huis van Juda sterken en het huis van Jozef verlossen; ja, Ik zal hen terugbrengen, omdat Ik Mij over hen ontferm en zij zullen worden, alsof Ik hen niet verworpen had” (Zacharia 10:6).

“En gij Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds van de dagen der eeuwigheid. Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd dat zij, die baren zal, gebaard heeft. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de Israëlieten” (Micha 5:1-2).

Ja, zo zal de HERE tot het einde der dagen de God der vaderen, de God van Israël zijn, ondanks al hun weerspannigheid. En door Israël zàl Gods opdracht volvoerd worden, in deze eeuw gebrekkig, in het vrederijk optimaal. De opdracht namelijk: Verkondig het Evangelie aan alle volken tot hun redding, tot eer van de Schepper aller dingen.

Beloften voor Israël in het Nieuwe Testament

Alle voorgaande beloften aangaande Israëls verlossing vindt u in het Oude Testament. Maar ook, hoe kan het anders, werden deze beloften herhaald in het Nieuwe Testament: “Zij (Maria) zal een Zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het die zijn volk redden zal van hun zonden” (Mattheüs 1:21). Een herhaling van een eerder aangehaalde belofte aan Micha: “En gij Bethlehem, land van Juda…” (Mattheüs 2:6).

Tegen de Kananese vrouw zei Jezus: “Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls” (Mattheüs 15:24). Dan de al eerder genoemde woorden: “Wijkt niet af op de weg der heidenen” (Mattheüs 10:5-6). De Syro-Fenicische vrouw krijgt te horen: “Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden (= heidenen) voor te werpen” (Marcus 7:27). En de engel zei tegen Zacharias: “En hij (Johannes de Doper) zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen….teneinde de Here een toegerust volk te bereiden” (Lucas 1:17).

Jezus zal koning worden over Israël: “Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven en Hij zal als Koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid en Zijn koningschap zal geen einde nemen” (Lucas 1:32). Zo zei Maria: “Hij heeft Zich Israël zijn knecht aangetrokken om te gedenken aan barmhartigheid – gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen – voor Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheid” (Lucas 1:54-55).

Zacharias, vervuld met de heilige Geest zei: “Want Hij heeft omgezien naar Zijn volk en heeft het verlossing gebracht”. En verder: “Zijn heilig verbond te gedenken, de eed die Hij zwoer aan Abraham, onze vader” (Lucas 1:67-79). Simeon zei, dat God voor het aangezicht van de volken bereid heeft: “Licht tot openbaring der heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël” (Lucas 2:31-32). Op de vraag van de discipelen: “Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?” zei Jezus dat die tijd door Zijn Vader beschikt was (Handelingen. 1:6-7). Petrus zei in zijn toespraak op de grote Pinksterdag: “Gij zijt zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden. God heeft in de eerste plaats voor ù zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden” (Handelingen 3:25-26).

In de Hebreeën brief vinden wij: “Zie er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis van Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet zoals het Mozaïsch verbond” (voorwaardelijk in tegenstelling tot het onvoorwaardelijk Abrahamitische verbond). En verder: “Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden en hun zonden zal Ik niet meer gedenken”(Hebreeën 6:8-12).

“Door het geloof heeft Izaäk aan Jakob en Ezau zijn zegen gegeven, ook voor de toekomst. Door het geloof heeft Jakob bij zijn sterven ieder der zonen van Jozef (Efraïm en Manasse) gezegend” (Hebreeën 11:20-21). Jakobus schreef in zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing: “Dwaalt niet mijn geliefde broeders. Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer. Naar Zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder Zijn schepselen” (Jakobus 1:16-18).

Petrus zei het zo: “U dan (de vreemdelingen in de verstrooiing = Israël), die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovige geldt: De steen die de bouwlieden (=Juda) afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap (ordening van Melchizedek), een heilige natie (dus niet de gemeente, dat is geen natie), een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk (Lo-Ammi = Efraïm-Israël), nu echter Gods volk, eens zonder ontferming (Lo-Ruchama), nu in zijn ontferming aangenomen” (1 Petrus 2:7-10)

In de tweede brief van Petrus beklemtoonde hij: “Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken” (2 Petrus 1:20-21).

In de Openbaring van Jezus Christus, opgeschreven door Johannes, wordt nadrukkelijk over de twaalf stammen gesproken: “En ik hoorde het getal van hen die verzegeld waren: …” Deze worden eerst en apart genoemd vóór de grote schare, de gelovigen uit alle ander Israël-volken, stammen en natiën en talen (Ekklesia = gemeente van Israël gelovigen) (Openbaring 7:4-9).

De toepassing de beloften

Willen al deze voornoemde zegeningen voor Israël in deze en in de komende eeuw nu zeggen dat dit volk, Efraïm in de kustlanden en Juda in de verstrooiing, nu beter is dan andere volken? Wel, Gods Woord is daar zeer duidelijk in; het antwoord is met nadruk: nee. Slechts het geloven, liefhebben en navolgen van Jezus, als Zoon van God, geven door zijn zoenbloed het ware leven in deze en de toekomende eeuw. Alleen door de dood en de opstanding van Jezus kunnen de woorden uit Jesaja hun waarde hebben: “Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des HEREN” (Jesaja 59:20).

En dat dit nog niet geheel is gebeurd, blijkt wel uit Paulus’ woorden: “Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden (Romeinen 11:25-26).

Maar voordat het zover is, dat gans Israël zich tot Hem bekeert, zal er nog erg veel moeten geschieden. Jesaja en vele anderen spreken daarvan: “Maar uw ongerechtigheden zijn het die scheiding brengen….Daarom blijft het recht ver van ons…..Naar de daden zal Hij vergelden: grimmigheid aan zijn tegenstanders, vergelding aan zijn vijanden; aan de kustlanden zal Hij vergelding doen” (Jesaja 59:2, 9, 18). En zo geldt ook voor Juda: zij zullen zich als volk pas bekeren bij de wederkomst van Jezus, wanneer zijn voeten zullen staan op de Olijfberg. (Zacharia 12:10-14 en 14:1-7).

Hoe wonderlijk klinken al deze woorden van God ons in de oren! Kan dit alles waar zijn? Of ligt de fout bij ons, omdat we niet deden wat de psalmdichter ons voorhield: “Wend het oor, mijn volk, tot mijn leer, neigt uw oor tot de woorden van mijn mond; Ik wil mijn mond tot een spreuk openen, Ik wil aloude verborgenheden verkondigen” (Psalm 78:1-2). En ligt er niet ergens een verwijt in de gelijkenis van Jezus over de schat in de akker? Was deze schat dan zo verborgen? Moest het eigenlijk niet zo zijn, zoals bij de Heer des Huizes, die zijn schatten kènde en zomaar de oude en nieuwe dingen te voorschijn haalde? (Mattheüs 13:44-52).

Het is God, de Heer des Huizes, die ons deze schat, dit geheimenis, wil leren kennen, namelijk “Christus, in Wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn” (Kolossenzen 2:3). Maar toch is ons al zeer veel geopenbaard. De profeet Amos kon dan ook zeggen: “Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten” (Amos 3:7).

Intussen zijn er zeker nog geheimenissen die ons nog niet geopenbaard zijn, althans nog niet door ons begrepen worden. Denk maar aan de laatste woorden van Daniël: “Ik nu hoorde wel, maar begreep het niet”, waarop God antwoordde: “Ga heen Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd” (Daniël 12:8-9).

Eén van die geheimenissen is de ware naam van Jezus: “En zijn ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een geschreven naam, die niemand weet dan Hijzelf (Openbaring 19:12). Nee, wij kennen zijn ware naam nog niet. Met onze aardse ogen en gedachten is dat niet mogelijk. Hoewel er aan ons mensen wel veel namen van Hem gegeven zijn, kunnen deze tezamen ons zijn grootheid nog niet doen doorgronden. Heeft Zijn Vader Hem niet de Naam boven alle namen gegeven? Maar eens zal het zijn: “Dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben” (1 Korintiërs 13:12).

Namen en functies van de Here Jezus

We willen nu enkele van de vele namen bezien, die op Jezus betrekking hebben, namelijk: man, lichaam, bruidegom en Melchizedek, in deze volgorde.

De man:

In Jesaja lezen we de heilbrengende profetie over Efraïm, de eenzame, de verlaten, diepbedroefde vrouw, die versmaad werd. Hier zegt God tegen Efraïm: “Uw Man is uw maker, Here der Heerscharen is zijn Naam”. En: “uw Losser is de Heilige Israëls” (Jesaja. 54:1-8). “Indien een man (= God) zijn vrouw verstoot (scheiding voor Efraïm) zal Hij dan nog tot haat terugkeren?” (Jeremia. 3:1). Afkerigheid Efraïm, en Trouweloze Juda, twee dochters van hun moeder Israël. (Vandaar dat God ze aanspreekt als kinderen en Zichzelf Vader noemt: God is de man, Israël is de vrouw, Jeremia 3:6-20). “Klaag uw moeder aan (Efraïm), want zij is mijn vrouw niet (meer) en Ik ben haar man niet (meer)” (Hosea 2:1). “En het zal te dien dage geschieden, dat gij Mij (weer) noemen zult: mijn Man” (Hosea 2:15). “Vele dagen zult gij blijven zitten, gij zult geen ontucht bedrijven, geen (andere) man toebehoren en ook Ik (God) zal niet tot u komen” (Hosea 3:3).

God vormde zijn volk Israël vanuit haar beginstadium en ging onder ede een verbond met Israël aan: “Toen kwam Ik voorbij u en zag u (zie Ex. 3:7-9), de tijd der liefde was voor u gekomen; Ik spreidde de slip van mijn kleed over u en bedekte uw naaktheid, Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van de Here HERE; zo werd gij de Mijne” (Ezechiël 16:6-8).

Later heeft de vrouw Israël zich onteerd, terwijl zij gehuwd was met haar Man (=God) (Ezechiël. 16:32). Zowel Ohola (Samaria) als Oholiba (Juda) pleegde overspel. Ook hier is God de Man (Ezechiël 23:1-5).

In de Romeinenbrief spreekt Paulus tot de Judeërs, die de wet kennen: De man (Jezus) is gestorven en je bent weduwe en volgens de wet kun je weer opnieuw huwen met een andere man, namelijk de Opgestane (Romeinen 7:1-4). Ook de Galatenbrief duidt op de verhouding man-vrouw: Het vroegere verbond (huwelijk) tussen het wettische Jeruzalem (onze moeder) en God is nu geworden tot een verbond tussen het nieuwe Jeruzalem (onze moeder) en dezelfde God, maar nu in Christus, onze Verlosser. De verheidenste Galaten (Galilea) waren als deel van Efraïm uit Asser aangekomen in Klein-Azië, ±300 v.Chr., en intussen door de bekeringsdrift der Joden weer tot hun oude “Joodse” godsdienst teruggekeerd (hier kunnen we nu niet verder op ingaan) (Galaten 4:21-31). In zijn brief aan de Romeinen gaat het bij Paulus opmerking om zijn volk Israël (Gods vrouw).

Het lichaam: (het hoofd)

In de brief aan de Romeinen schreef Paulus eerst over de tijd van het oude, daarna over die van het nieuwe verbond. Tegen zijn eigen volk zegt hij: “Want besneden te zijn heeft slechts betekenis indien gij de wet volbrengt: maar dit baat niet, immers God vraagt besnijdenis van het hart!” Maar van de heiden die de wet (dus God) niet kent, zegt hij, indien zij (toch) naar hun geweten Gods wet volbrengen, dat zij de ware besnijdenis van hart hebben. Echter is na de opstanding van Jezus de situatie veranderd.

Het is veel moeilijker geworden via de wet tot God te komen. Jezus heeft namelijk de wet geperfectioneerd: alle tittels en jota’s heeft Hij benadrukt. Zelf heeft Hij deze gehele wet vervuld.

Nu blijft ons met recht slechts één weg over: “Door genade zijt gij zalig geworden”. Met de opstanding begint iets nieuws: de opbouw van de gemeente, het lichaam des Heren, waar Hijzelf het hoofd van is. Dit lichaam zal bestaan uit vele soorten leden, zowel Israëlieten als heidenen. Dit groeiproces gaat door: “Totdat we allen mogen komen tot de eenheid van geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een perfecte man, tot de gestaltemaat van de volheid van de gezalfde”. (lett.vert) (Eeziërs 4:13), nb. perfect = volmaakt = compleet.

In het Nieuwe Testament wordt de gemeente voorgesteld als het lichaam van Christus, waarvan Hijzelf het Hoofd is. Zo lezen we: “Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkaar” (Romeinen 12:4-5).

Zo zijn er nog vele Bijbelplaatsen, waar wij dit lezen: “Omdat het één brood is, zijn wij, hoevelen Ook, één lichaam. Wij hebben immers allen deel aan het éne brood” (1 Korintiërs 10:17). “Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft en al de leden van het lichaam, hoe vele Ook, één lichaam vormen, zo Ook Christus; want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één geest gedrenkt” (1 Korintiërs 12:12-13).

“En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als Hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt” (Efeziërs 1:22-23).

“Aan Hem die het Hoofd is, Christus, ontleent het gehele lichaam, als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen, naar de kracht, die elk lid op zijn wijze uitoefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde” (Efeziërs 4:16).

“Christus is het Hoofd zijner gemeente; Hij is het die zijn lichaam in stand houdt”. (Let wel, dat het hier niet gaat om de verhouding man-vrouw, maar om de mate van liefde). En verder: “Maar Hij voedt en koestert het, zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam” (Efeziërs 5:23, 29-30).

“Hij, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt” (Fillipenzen 3:21).

“Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente”. En: “Ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente” (Kolossenzen 1: 18, 24).

“En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt” (Kolossenzen 3:15).

“Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar gij hebt Mij een lichaam bereid” (Hebreeën 10:5).

De bruidegom:

In Jesaja wordt al verwezen naar de verre toekomst. Hier wordt al gesproken over God, die zich als bruidegom zal verblijden over Israël, de bruid: “Om Sions wil zal Ik niet zwijgen en om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat zijn heil opgaat als een lichtglans en zijn verlossing als een brandende fakkel…en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God zich over u verblijden” (Jesaja 62:1-5).

“Kunnen de bruiloftsgasten treuren zolang de bruidegom bij hen is?” (= Israëlieten) (Mattheüs 9:15; Lucas 5:35). Nb. In de grondtekst staat niet bruiloftsgasten, maar letterlijk: de zonen van de bruidskamer, d.w.z. zijn naaste vrienden, die hem helpen en adviseren voor de bruiloft, dus zijn twaalf discipelen. Bruiloftsgasten slaat dus niet op de bruid, want dat is Israël. Overigens komt het woord bruidegom Ook nog voor in de gelijkenis van de tien maagden (Mattheüs 25:1-13). Hier dienen we echter op enkele zaken te letten:

1. Het is een gelijkenis over het koninkrijk, dat is in de bijbelse symboliek Israël (vrouw).

2. Er worden tien maagden genoemd en geen twaalf. Het koninkrijk werd immers van de twee stammen weggenomen.

3. Net als bij Juda zal Ook in Efraïm veel afval komen door o.a. het modernisme (“Mijn Heer vertoeft te komen” Mattheüs 24:48).

4. In principe geldt dit natuurlijk voor iedere gelovige die afvallig wordt.

We zagen dus dat de gemeente (= gelovigen) het lichaam des Heren is. Maar tot nu toe is een gedeelte van Israël verhard (ongelovig) en behoort dus nog niet tot het lichaam: “God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden” (Romeinen 11:8).

Dit deel van Israël is nog wel steeds de vrouw van God (de verstotene zowel als de weduwe). Er is dus nog steeds een tweeheid: man en vrouw (lichaam en Israël).

Maar dan blijkt dat Paulus het Oude Testament goed kent en begrepen heeft: “Want broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat. De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem. Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn Ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming Ook zij thans ontferming zouden vinden. Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen. O, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest?” (Romeinen 11:25-34).

Zo kon de schriftgeleerde Paulus de belofte van God aan Israël weer in herinnering brengen: “Ik heb werkelijk Efraïm horen klagen: Gij hebt mij getuchtigd; bekeer mij, dan zal ik mij bekeren, want Gij, Here, zijt mijn God. Want nadat ik tot inkeer gekomen ben, heb ik berouw gekregen; nadat ik tot inzicht gekomen ben, heb ik mij op de heup geslagen; ik ben beschaamd, ja Ook ben ik te schande geworden, want ik heb de smaad van mijn jeugd gedragen. Is Efraïm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weder aan hem denken moet? Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des HEREN. Richt u merkstenen op, zet u wegwijzers neer, zet uw hart op de heerbaan, de weg die gij gaat; keer terug, jonkvrouw Israëls, keer terug naar uw steden hier! Hoe lang zult gij aarzelen, o afkerige dochter? Want de HERE schept iets nieuws op aarde: de vrouw zal de man omvangen” (Jeremia 31:18-22).

Let wel, dat Jeremia moest profeteren over Efraïm, terwijl de tien stammen al 120 jaar hiervoor naar Assyrië in ballingschap waren gegaan! Zo zegt God dus, dat de vrouw (Israël-Efraïm) ten slotte de man (lichaam) in zich zal opnemen (omvangen), met als uiteindelijk doel de eenheid tussen man en vrouw. Dan zal de gemeente bij Israël zijn ingelijfd en Israël zal gemeente zijn geworden. Dan zal uiteindelijk de taak van Israël en de gemeente vervuld zijn en zal dit ten slotte uitlopen op de grote finale, waarvan Paulus schrijft: “Wanneer alles aan Hem onderworpen is, zal Ook de Zoon Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen” (1 Korintiërs 15:28). Dan, wanneer de gemeente opgenomen is in Israël, zullen de woorden van Amos ons duidelijk worden: “U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk” (Amos 3:2).

We moeten hier wel bedenken, dat het over het volk als volk gaat. Als individuen zullen er afvallers zijn. Lees bijvoorbeeld: “Want niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël en zij zijn Ook niet alleen kinderen, omdat zij nageslacht zijn van Abraham”(Romeinen 9:6-7; vgl Ook Mattheüs 3:9; Handelingen 3:23). Of elders: “Want het is onmogelijk, degenen die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gaven genoten hebben en deelgekregen hebben aan de heilige Geest en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken” (Hebreeën 6:4-7).

3:6).

En Jezus openbaart aan Johannes op Patmos, dat een ieder die zijn geloof gebouwd heeft op het fundament der twaalf apostelen, het nieuwe Jeruzalem slechts kan binnengaan door de twaalf poorten, waarop geschreven staan de namen van de twaalf stammen der kinderen Israëls (Openbaring 21:12-14).

De Bruid

Enkele opmerkingen over de bruid:

1. In Hosea staat (N.V.): “Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig”. (=Israël) (Hosea 2:18). Eigenlijk staat er: “Ik wil Mij u voor altijd verloven”.

2. In Openbaring wordt Israël symbolisch voorgesteld door het nieuwe Jeruzalem, versierd voor haar man (=de gemeente) (Openbaring 21:2; vgl. ook 21:9-13).

3. In Openbaring 22 zeggen de Geest en de bruid (het nieuwe Jeruzalem): “Kom! Ga in door de twaalf poorten”. (Openbaring 22:12-17).

4.Jesaja zegt: “Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan….De smaad van uw weduwschap (na de dood van Jezus) zal Ik niet meer gedenken….want als een verlatene en diepbedroefde vrouw heeft de Heer u geroepen”. (Juda en Efraïm) (Jesaja 54:4-8).

5.“En toen de draak zag, dat hij op de aarde was geworpen, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijk kind voortbracht.” (Gr. tekst) (Openbaring 12:13). De vrouw kan niet de kerk (gemeente) zijn, want deze heeft Jezus niet voortgebracht, juist omgekeerd! “En aan de vrouw (Israël) werden de twee vleugels van de grote arend gegeven (Gods voorziende bewaring, zie Ex. 19:4) om naar de woestijn te vliegen naar haar plaats (2 Samuel 7:10), waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang”. (Buiten Palestina) (Openbaring. 12:13-14; vgl. Hosea 2:13-14). “En de draak werd toornig op de vrouw (Israël) en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden (wetten) en het getuigenis van Jezus hebben”. (Openbaring. 12:17).

Melchizedek

Misschien is wel de mooiste titel die wij kennen van Jezus: Melchizedek: Koning en Hogepriester. Hoewel deze gecombineerde functies bij heidenen wel voorkwamen, was deze in Israël verboden: Uit Juda kwam de koning en uit Levi de hogepriester. Men zou hooguit Salomo een voorafspiegeling hiervan kunnen noemen bij de inwijding van de tempel (1 Kon. 8:14-53). Het was dus een duidelijke scheiding van kerk en staat. Voor ons blijft deze Melchizedek een wonderlijke figuur. Van hem staat geschreven: “Koning der gerechtigheid, koning des vredes, zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, de Zoon van God gelijk gesteld, blijft hij priester voor altoos”. Hebreeën 7:2-3). En verder: “Nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchizedek een andere priester opstaat (namelijk Jezus), die dit niet is geworden krachtens een wet met een voorschrift betreffende de vleselijke afkomst, maar krachtens een onvernietigbaar leven” (Hebreeën 7:15-16). Er zijn diverse verklaringen gegeven over wie Melchizedek was (o.a. Sem), maar geen van alle voldoen.

We zouden ons beter kunnen afvragen wie hij niet was.

Hij was niet Jezus:

1. Jezus had God als vader en Maria als aardse moeder en als zodanig een geslachtsregister.

2. Melchizedek was de Zoon van God gelijkgesteld (dus niet dezelfde).

3.Jezus was naar de ordening van Melchizedek (dus niet dezelfde).

4. Jezus is niet naar het evenbeeld van een ander, i.c. Melchizedek.

Hij was geen mens:

1.Melchizedek is zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister.

2.Hij was zonder begin van dagen of einde des levens.

3.Een mens is niet priester voor altoos.

4.Jezus is niet naar het evenbeeld van een mens (nl. Melchizedek).

Hij was niet Adam:

1.Adam was geen koning der gerechtigheid of van Salem.

2.Adam had wel een einde des levens.

3.Adam was niet de Zoon van God gelijkgesteld. Juist door zijn overtreding moest Jezus komen.

4.Adam is geen priester voor altoos.

Hij was geen engel:

1.Engelen zijn niet aan de Zoon van God gelijkgesteld.

2.Een engel is geen priester voor altijd.

3.Jezus is niet naar het evenbeeld van een engel.

4.Een engel is geen koning der gerechtigheid.

Melchizedek was dus niemand, tenzij….een zeer boude bewering: Hij was een ‘Adam’ van een andere schepping, maar niet gevallen als onze voorvader.

En hoewel deze Melchizedek voor ons een onbegrepen persoon is, van onze Here Jezus kan dat niet gesteld worden. Vooreerst is Hij naar deze ordening Hogepriester, dus niet van het oude Mozaïsche verbond, maar van het volmaakte, nieuwe verbond. Het oude was slechts een zinnebeeld, waarbij het Heilige der Heiligen verborgen bleef. Jezus heeft door Zijn eenmalig offer de weg tot God ontsloten, symbolisch voorgesteld, toen het voorhangsel scheurde (Hebreeën 6:19-20). Hij behoefde, in tegenstelling tot de levitische hogepriester, maar éénmaal het offer te brengen en niet zoals op heidense wijze, b.v. bij de mis, voortdurend geofferd te worden.

Jezus als Hogepriester

De priesters van het Mozaïsch verbond waren gebonden aan een wet met voorschriften, maar van de Zoon heeft God gezworen met een eed en het zal Hem niet berouwen: “Gij zijt priester in eeuwigheid, een Borg van een beter verbond” (Hebreeën 7:22). En zo worden wij geroepen om met vrijmoedigheid te gaan tot de troon der genade, d.w.z. tot onze Here en Heiland, gezeten op zijn priestertroon aan de rechterhand van God. (Zie Hebreeën 4:14-16 en 10:1-14). Als wij zelf niet weten wat wij zullen bidden, is er de Geest van Christus Jezus, Die voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtigingen (Romeinen 8:26). Zo heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de Middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust (Hebreeën 8:6).

Ten tijde van het Oude Testament zat de hogepriester op zijn aardse troon (Zacharia. 6:13). Maar door het zoenoffer van Jezus is deze priestertroon overbodig geworden. (Opmerking: In de N.Vert. staat: “Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is, en de Levitische priesters zal het nimmer ontbreken voor mijn aangezicht aan een man die brandoffers offert… (Jeremia 33:17-18). In het Hebreeuws staat voor ‘nimmer’ het woord ‘lo’ en dit betekent gewoon ‘niet’ en niet ‘nimmer’ of ‘nooit’, laat staan ‘eeuwig’. B.v. bij de aankondiging van Izaäks geboorte zegt de Here tegen Sara: “Nee (=lo), gij hebt wel gelachen” Vgl. Ook: Lo-Ammi = niet Mijn volk. De St.Vert. geeft inderdaad ‘niet’. Het ‘niet ontbreken’ bedoelde te zeggen: totdat Jezus deze functie overneemt.)

Zo is Jezus nu als Hogepriester en dus als Middelaar gezeten aan de rechterhand des Vaders op zijn Priestertroon, zoals we lezen: “Zit aan mijn Rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank uwer voeten”. (o.a. Mattheüs 22:44; Handelingen 2:35; Hebreeën 1:13). “Van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels”. (Mattheüs 26:64; Marcus 14:62; Lucas 22:69).

Jezus is opgenomen en heeft zich gezet aan de rechterhand Gods (Handelingen 7:56). Stefanus ziet Jezus staande ter rechterhand Gods (Handelingen 7:56).

“Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die Ook voor ons pleit”. (= Hogepriester) (Romeinen 8:34).

God heeft Hem uit de doden opgewekt en Hem gezet aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten (Efeziërs 1:20). “Jezus heeft na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in de hoge”. (Hebreeën 1:3). “Wij hebben zulk een Hogepriester, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der Majesteit in de hemelen” (Hebreeën 8:1). “Deze is echter, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten” (Hebreeën 10:12-13).

Jezus, de schande van het kruis (verzoening Hogepriester) niet achtende, is gezeten ter rechterzijde van de troon Gods. (Hebreeën 12:2). De doop is een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus, Die aan de rechterhand van God is. (1 Petrus 3:21-22).

Tot aan zijn wederkomst vervult Jezus het hogepriesterschap, zoals wij lezen bij zijn afscheidswoorden: “Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft Ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen  anders zou Ik het u gezegd hebben  want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat Ook gij zijn moogt, waar Ik ben” (Johannes 14:1-3).

Ook in zijn hogepriesterlijk gebed komt dit duidelijk tot uiting: “Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke, gelijk Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus die Gij gezonden hebt. Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt”. En verder: “Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik u, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt” (Johannes 17:1-3, 9).

Jezus als koning der gerechtigheid

Behalve Hogepriester is Jezus naar de ordening van Melchizedek Ook Koning der gerechtigheid en des vredes. Echter hoewel de Here voor alle eeuwen Koning is “Uw Koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, uw heerschappij is over alle geslachten”(Psalm 145:13), geldt ook hier: niet naar vleselijke afkomst. Maar zoals er een aards priesterschap was, is er ook een aards koningschap.

We hebben reeds uitvoerig over het koningshuis van David gesproken en vonden in de Schrift dat, naar de woorden van God, er een altijddurend koningshuis van David zou zijn, totdat Silo komt en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Daar dit laatste stellig nog niet zo is, is ook Silo (=Jezus) nog niet koning, maar één uit het huis van David. Zo bleek bij de verzoekingen in de woestijn tijdens Jezus omwandeling op aarde, dat Hij de macht als Koning nog niet had aanvaard. Bovendien ging het hier om de macht over de wereld en niet over het Koningschap over Israël.

Is Jezus misschien na zijn opstanding koning geworden over Israël? Wel: Juda heeft Hem niet aangenomen (“Wij hebben geen koning dan de keizer”). Buitendien had Jezus al gezegd, dat het koninkrijk (koningschap) van hen weggenomen zou worden. En Efraïm was in de verstrooiing in de kustlanden. En als de discipelen na de opstanding vragen: “HERE, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?”, zegt Hij, dat zijn Vader over die tijd en gelegenheid de beschikking aan Zich gehouden heeft (Handelingen 1:7). Nee, het koningshuis zal het voorlopig nog moeten doen met de vervallen hut van David in de kustlanden. Pas te dien dage, na het schudden van het huis Israëls onder de volken zal God deze vervallen hut weer oprichten (Amos 9:9-11).

En Jakobus haalt de woorden van Petrus aan: “God is er van meet aan op bedacht geweest eerst een volk voor zijn Naam uit de heidenen te vergaderen. Daarnà zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen en Ik zal haar weder oprichten” (Handelingen 15:14-16). De hut, zij het vervallen, was er dus nog! En op wie was de naam des uitgeroepen? Juist, Israël (Numeri 6).

Opmerking: Daar Jezus nog niet op zijn eigen koningstroon zit, maar aan de rechterhand van zijn Vader, bedoelde Petrus met ‘één uit de vrucht van zijn lendenen’ (Psalm 132:11) wèl Jezus, maar dan aan het einde dezer bedeling; want staat er: “Ik zal eerst uw vijanden maken tot een voetbank uwer voeten” (=toekomst) (Handelingen 2:29-35). Trouwens ook het eerste deel van Petrus’ rede ziet niet alleen op Pinksteren (voorafschaduwing) maar juist op de toekomst, als zon en maan niet meer nodig zijn (Handelingen 2:17-21). Dan is ook de aardse troon van David overbodig geworden.

In dat nieuwe koninkrijk zullen de verlosten met Hem als koningen en priesters heersen (Openbaring 5:10; 20:4-6). Toch zal ook Gods belofte, door de engel aan Maria gegeven zeker vervuld worden: “Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden en de HERE God zal Hem de troon van zijn vader David geven en Hij zal als Koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid en Zijn koningschap zal geen einde nemen” (Lucas 1:32-33). Dat zal echter pas gebeuren als de Zoon des mensen zit op de troon der heerlijkheid (Mattheüs 19:28). Maar Jezus zit nog niet op deze troon. Er zal eerst veel moeten geschieden: “Totdat de volheid der heidenen binnengaat en aldus zal gans Israël behouden worden” (Romeinen 11:25).

De eindtijd

Voordat deze woorden uit de Romeinenbrief in vervulling gaan, zal de mensheid nog veel moeten meemaken: “Men zal horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. Want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk en er zullen nu hier, dan daar hongersnoden en aardbevingen zijn. Doch dit alles is het begin der weeën. Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en zij zullen u doden en gij zult door alle volken gehaat worden om mijns Naams wil. En dan zullen velen ten val komen en zij zullen elkander overleveren en elkander haten. En vele valse profeten zullen opstaan en vele zullen zij verleiden. En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn” (Mattheüs 24:6-14).

Het zal eerst de antichrist zijn, die een opgelegde vrede brengt (zie Jeremia 8:11). Voor ieder die hém volgt en aanbidt zal het een “goede” tijd zijn. Zoals Jezus ons voorzegd heeft: “Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in die dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag waarop Noach in de ark ging en zij niets bemerkten eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn” (Mattheüs 24:37-39).

Echter voor het volk van Daniël (=Israël) en voor de gemeente (= Lichaam des Heren) zal dit een “slechte” tijd zijn. Zo schreef Daniël: “Er zal voor uw volk een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe”. En verder: “Er moet eerst een eind komen aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn”(Daniël 12:1,7; zie ook Mattheüs 24).

“En het beest uit de aarde (antichrist) sprak als de draak (satan) en oefent al de macht van het eerste beest (het Babylonische systeem) voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij die daarop wonen het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. (n.l. het herstelde Romeinse Rijk met zijn 2 benen van ijzer: Oost en West R.R.). Dat beest zal maken, dat allen die het beeld van het eerste beest niet aanbaden, gedood werden. Ook zal hij maken dat een ieder die het merkteken niet heeft, uitgesloten zal zijn van kopen en verkopen” (Openbaring 13:11-17).

Daniël beschreef de verdrukking tijdens de periode van Antiochus Epifanus (200 v.Chr.). Maar tegelijkertijd is dit, zoals ook dikwijls bij andere profeten, een voorafschaduwing van de eindtijd, de tijd van de antichrist (Daniël 11:29 tot 12:3). In dit gedeelte wordt o.a. gezegd: “Maar in hun plaats zal hij de god der vestingen vereren: de god die zijn vaderen niet gekend hebben zal hij vereren met goud en zilver en edelgesteente en kostbaarheden. En hij zal optreden tegen versterkte vestingen met de hulp van de vreemde god; ieder die deze erkent zal tot grote eer komen…”(Daniël 11:38,39). Moeten we hier niet onwillekeurig denken aan het Babylonische systeem van Nimrod, de Ala Maozim: de god der vestingen.

De duistere macht van Babel, gaande via Pergamum (= troon des Satans – Openbaring 2:13) naar Rome met haar koningin des Hemels (Astarte=Semiramis). Maar wij mogen weten dat ondanks satans woeden, zijn rijk ten onder zal gaan: “Wij verwachten een beter, dat is een hemels vaderland” (Hebreeën 11:16).

Opmerking: Na Babels val in 539 v.Chr. door Cyrus, vluchtten de priesters naar Pergamum (en naar Alexandrië en Tibet), Pergamum werd hoofdkwartier van de Babel-religie. De laatste priester – koning van Pergamum benoemde in 133 voor Chr. reeds de burgers van Rome tot erfgenamen. In 69 v.Chr. eigende keizer Julius Caesar zich op grond van dit testament de titel Pontifex-Maximus toe, de officiële benaming van de hogepriester van Pergamum. Nadien heeft het hoofd van de Roomse kerk deze titel zich toegeëigend!

Over deze laatste dagen hebben, zoals gezegd, de meeste profeten, min of meer bedekt, al gesproken. het zal een tijd zijn van godloosheid en van goddeloosheid, zoals bijvoorbeeld Jesaja schrijft: “De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn allen stomme honden, die niet kunnen blaffen; dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief. En deze honden zijn vraatzuchtig, zij kennen geen verzadiging; zij zijn herders die niet weten acht te geven, zij wenden zich alleen naar hun eigen weg, ieder naar zijn gewin, niemand uitgezonderd. Komt zeggen zij: Ik zal wijn halen en laten wij bedwelmende drank zwelgen en de dag van morgen zal zijn als die van vandaag, nog veel geweldiger” (Jesaja 56:10-12). Of: “Want de terafim spreken ijdelheid, de waarzeggers schouwen leugen, bedriegelijke dromen spreken zij, nietswaardige troost bieden zij. Daarom trekken zij voort als een kudde die in nood is, omdat zij geen herder heeft” (Zacharia 10:2).

Het einde komt

En dan komt plots het einde: “Zie een stormwind des HEREN, gramschap vaart uit, een alles meesleurende storm! Op het hoofd van de goddelozen zal hij neerkomen. De brandende toorn des HEREN zal zich niet afwenden, totdat Hij de plannen van zijn hart volvoerd en verwerkelijkt heeft; in het laatst der dagen zult gij het inzien” (Jeremia 30:23-24).

En Obadja schreef: “Want nabij is de dag des HEREN over alle volken; zoals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden, uw daad zal op uw eigen hoofd terugvallen” (Obadja :15). “Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: Immers gij weet zelf zeer goed, dat de dag des HEREN zo komt als een dief in de nacht. Terwijl zij zeggen: Het is alles vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf en zij zullen geenszins ontkomen” (1 Thessalonicenzen 5:1-3).

Maar zelfs tijdens het hoogtepunt van de macht van het anti-christelijk Rome wil onze God nog waarschuwen: Hij zal zijn twee getuigen zenden (Henoch en Elia, die beiden nog niet gestorven waren). En wanneer hun getuigenis na 3½ jaar geen resultaat heeft gehad, zullen zij gedood worden, maar na 3½ dag weer opstaan en naar de hemel opklimmen. En als dan een grote aardbeving geweest is, klinkt de zevende bazuin: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze HERE en aan zijn Gezalfde en Hij zal als Koning heersen tot in alle eeuwigheden” (Openbaring 11:1-15 zie ook Mattheüs 24:29-31).

Opdat moment zal Jezus het koningschap aanvaarden en dan is tevens het aardse koningschap van David ten einde. Toen de Joden riepen: “Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij die komt in de naam des HEREN! ging Hij buiten de stad en overnachtte daar. En had Hij zich al niet eerder om die reden teruggetrokken? (Johannes 6:15). Nee, al is Jezus dan Koning Priester van eeuwigheid tot eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek: Het Koningschap aanvaarden als Zoon van David moet nog komen. Hij zal Koning zijn, echter niet van deze wereld, maar van de toekomende (Johannes 18:36).

Zo lezen we in Openbaring: “Halleluja! Want de HERE onze God, de Almachtige heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw (Israël) heeft zich gereed gemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen. En Hij zei tot mij Schrijf zalig zijn zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam (=gemeente) (Openbaring 19:6-9; zie ook Openbaring 11:15-17).

Dan zal het gebed van Jezus: “Uw koninkrijk kome”, de uiteindelijke vervulling hebben verkregen. Dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid: de troon van zijn vader David (Mattheüs 25:31). En ieder die overwint, zal ook gegeven worden te zitten met Hem op de troon. En vandaar zal Hij met de Zijnen zitten om de heidenen (niet Israël- volken) te hoeden met een ijzeren staf, d.w.z. met ijzeren hand. En geveinsd of niet: ieder zal zich in dit vrederijk houden aan de rechtvaardige regering van Jezus (Openbaring 2:26,27; 3:21; zie ook de dankpsalm: Psalm 66; vgl. Openbaring 12:5; 19:15). Dit laatste betreft het met Hem regeren in het vrederijk. Zo beloofde Jezus zijn 12 discipelen dat zij specifiek het volk Israël in die tijd zouden besturen: “Gij zult met Mij ook op 12 tronen zitten om de 12 stammen van Israël te richten” (Mattheüs 19:28).

Het herstel van het Koninkrijk

“Te dien tijde zal men Jeruzalem noemen de troon des HEREN en alle volken zullen daarheen verzamelen om de Naam des HEREN te Jeruzalem en zij zullen niet meer wandelen naar de verstoktheid van hun boos hart” (Jeremia 3:17).“Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de HERE der Heerscharen neder te buigen, op hem zal geen regen vallen” (Zacharia 14:17). Dan komt ook voor Israël weer het herstel, zoals Jeremia profeteerde: “In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb” (Jeremia 3:18).

Dan zal ook de bede van Mozes verhoord zijn: “Hoor HERE, de stem van Juda en breng hem tot zijn volk” (Deuteronomium 33:7). En ook de woorden van Ezechiël zullen bewaarheid worden: “Zo zegt de HERE HEE: Kom van de vier windstreken, o geest en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven. Toen kwam de geest in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger. Voorts zei Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israëls. Zie, zij zeggen onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. Daarom profeteer en zeg tot hen: zo zegt de HERE HERE: zie Ik open uwe graven en zal u uit uw graven doen opstaan en u brengen naar het land Israëls” (Ezechiël 37:9-12).

En ter bevestiging en verduidelijking mocht Ezechiël schrijven: “Mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef – het stuk hout van Efraïm – en het gehele huis Israëls dat daarbij behoort; voeg ze dan aan elkander tot één stuk hout, zodat zij in uw hand tot één worden. Zo zegt de HERE HERE: zie Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn. IK zal hen van alle kanten bijeen verzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land op de bergen Israëls en één koning (Jezus) zal over hen allen koning zijn. Niet langer zullen zij twee volkeren zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken” (Hebreeuws: mamlakah: kan ook betekenen regeren, heerschappij).

En verder: “Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn. En de volken zullen weten, dat Ik de HERE, het ben Die Israël heilig, doordat Mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat” (Ezechiël 37:16-28). Let wel dat het hout (de staf) pas verbroken werd bij het verraad door Judas! (Zacharia 11:12-14).

En zo spraken vele profeten, bijv. Jesaja: “Hef uw ogen op en zie rondom, zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen van verre en uw dochters worden op de heup gedragen”. En verder: “Wie zijn dezen, die als een wolk komen aangevlogen en als duiven naar hun til? Want op Mij zullen de kustlanden wachten en de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn om uw zonen van verre aan te brengen” (Jesaja 60:4,9). “Zij zullen de overoude puinhopen herbouwen, het verwoesten uit vroeger tijd doen herrijzen en de steden vernieuwen, die in puin liggen, die verwoest hebben gelegen van geslacht tot geslacht” (Jesaja 61:4). Lees overigens geheel Jesaja de hoofdstukken 60, 61, 62.

In die tijd van het vrederijk zal dit herenigd Israël  terwijl de vreemdelingen hun akkerlieden en wijngaardeniers zijn eindelijk op de juiste wijze zijn taak gaan vervullen, waartoe het geroepen was: De heidenwereld bekend maken met de HERE der Heerscharen: “Gij zult priesters des HEREN heten, dienaars van onze God genoemd worden” (Jesaja 61:6 zie ook Exodus 19:6). Mogelijkerwijs zal er in het vrederijk weer een tempel zijn. We kunnen hierover lezen in Ezechiël hoofdstuk 40 t/m 44. In tegenstelling tot Israël zal de gemeente een andere taak hebben: “Zij zullen dan met Hem als koningen heersen”.

Beide taken zullen nodig zijn in het vrederijk. Ieder die niet naar Gods boodschappers (Israël) luisteren wil zal onder de ijzeren roede door moeten (dus die van de gemeente).

Voor de aanvang van het vrederijk was de hoer op de zeven bergen al ten onder gegaan (met vuur verbrand) door toedoen van het beest. Maar ook met het beest als aanvoerder van Gog en Magog en de koningen der aarde waren geëlimineerd (samen met de valse profeet geworpen in de poel des vuur). Zo was voor de overgebleven mensheid de verleiding tot zondigen zeker minder geworden en kon zij gedurende deze tijd (de Bijbel spreekt van 1000 jaar) nog éénmaal en wel voor de laatste maal leren en ervaren wat gerechtigheids Gods betekent en wat Gods bedoeling met zijn schepping was. Mogelijk dat de mènsheid nog zoveel tijd nodig heeft om zich te bekeren en de áárde om zich te herstellen van de vernielzucht van de mens. Hoe het overigens zal zijn in het vrederijk is nu nog moeilijk voorstelbaar.

Het einde: Een nieuw begin

Jesaja lichtte een tip van de sluier op: “Want zie Ik schep een nieuwe hemel (niet de hemel der hemelen waar God is, maar hemelgewelf) en een nieuwe aarde, aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden”. Het zal zo anders zijn: Hoewel de dood er nog is, zal deze de mens pas op hoge leeftijd treffen, zelfs de zondaar zal op honderdjarige leeftijd door de vloek worden getroffen. Ieder die een huis bouwt, zal dit bewonen en er wordt niet tevergeefs gezwoegd. (Jesaja 65:17-25).

Dan zal aan het einde van deze periode satan nog eenmaal worden losgelaten en ieder volk en elk individu zal dan zijn definitieve keuze moeten maken, zoals Jezus eens zei: “Wie niet voor Mij is, is tegen Mij. De Bijbel geeft niet aan, dat deze fase ingeluid zal worden door allerlei rampen. Trouwens, de beschrijving is erg summier:

“Satan zal uit zijn gevangenis worden losgelaten en uitgaan om de volkeren aan de vier hoeken der aarde te verleiden: Gog en Magog om hen tot oorlog te verzamelen en hun getal is als het zand der zee. En zij kwamen over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en vuur daalde uit de hemel en verslond hen, en de duivel die hen verleidde werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden”(Openbaring 20:7-10). En als dan zo het einde gekomen is, staat er in de brief aan de Corinthiërs, zal Jezus het koningschap aan God de Vader overdragen.

En tenslotte: “Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen” (1 Korintiërs 15:23-28).

Dan zullen er zijn een nieuwe hemel (ouranos = heelal) en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en aarde zijn voorbijgegaan.

Dan zal het nieuwe Jeruzalem neerdalen uit de hemel, van God. “Hierin zal geen tempel zijn, want de HERE God, de Almachtige is haar tempel en het Lam. En de stad heeft de zon en maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam. En de volken zullen bij haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar en haar poorten zullen nooit gesloten worden des daags, want daar zal geen nacht zijn, en de heerlijkheid en de eer der volken zullen in haar gebracht worden” (Openbaring 21:22-26).

Dan zal de hof van Eden, het paradijs wat God eenmaal bedoeld had voor Adam en zijn nakomelingen, weer hersteld zijn in alle glorie: “Zie de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn volken zijn en God zal zelf bij hen zijn en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn. En Hij zeide: Zie Ik maak alle dingen nieuw. En deze woorden zijn getrouw en waarachtig. Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde” (Openbaring 21 en 22).

——–oOo——–

Comments are closed.